18 jun 2026,
Voorzieningenrechter schorst lasten onder dwangsom van AP wegens twijfels over rechtsmacht en evenredigheid
Rb. Den Haag 18 juni 2026, IT 5375; ECLI:NL:RBDHA:2026:18723 ([verzoeksters] tegen de AP). De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) onderzoekt of de exploitanten van een internationaal socialmediaplatform bij het licentiëren van openbare gebruikersinformatie aan ontwikkelaars van large language models in strijd handelen met onder meer de artikelen 6, 13 en 21 AVG. In dat kader verlangde de AP toegang tot de systemen Jira, Google Vault en zogenoemde SWAT Tables. Die toegang moest worden verleend door medewerkers met volledige autorisatie, die op aanwijzing van de toezichthouders zoekopdrachten zouden uitvoeren terwijl de AP live kon meekijken. Nadat verzoeksters hun medewerking hadden gestaakt vanwege bezwaren over de territoriale bevoegdheid van de AP, de toepasselijke buitenlandse wetgeving en de mogelijke inzage in informatie die onder het verschoningsrecht van advocaten valt, legde de AP aan ieder van hen een last onder dwangsom van € 100.000 op.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderzochte verwerking van persoonsgegevens van personen in de EER binnen het territoriale toepassingsbereik van de AVG valt. Daarmee staat echter nog niet vast dat de AP binnen haar rechtsmacht blijft wanneer zij op deze wijze live toegang verlangt tot in het buitenland beheerde systemen en daarbij buitenlands personeel actief aanstuurt. Deze onderzoeksmethode komt volgens de rechter dichter in de buurt van monitoring dan van een gewone inlichtingenvordering en kan raken aan de rechtssfeer van de buitenlandse autoriteiten. Ook kan niet worden uitgesloten dat medewerking strijd oplevert met buitenlandse wetgeving. De werkwijze van de AP voor de bescherming van geprivilegieerde informatie lijkt op het eerste gezicht voldoende waarborgen te bevatten, maar over de praktische uitvoering daarvan bestaat nog onvoldoende duidelijkheid. De rechter geeft geen definitief oordeel over de rechtmatigheid van het onderzoek, maar acht niet uitgesloten dat de bezwaren over de rechtsmacht en de evenredigheid van de bevoegdheidsuitoefening in bezwaar slagen. Omdat de mogelijke nadelige gevolgen voor verzoeksters aanzienlijk en onomkeerbaar zijn en geen zwaarwegend belang bij onmiddellijke uitvoering is gebleken, schorst de voorzieningenrechter de besluiten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissingen op bezwaar.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
24. Bij de beoordeling van het verzoek beantwoordt de voorzieningenrechter eerst de vraag in hoeverre het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Vervolgens bekijkt de voorzieningenrechter, in het licht van een afweging van de wederzijdse belangen, of er voldoende aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
25. De voorzieningenrechter stelt voorop, dat de bezwaargronden van [verzoeksters] inhoudelijk zijn verweven met een aantal juridische vraagstukken met een principiële
betekenis en een complexe inhoud, die nog ter discussie staan in de bestuurlijke voorprocedure. Met die stand van zaken is niet op voorhand de overtuiging vereist, dat het bezwaar een goede kans van slagen heeft, maar is voldoende dat een gegrond bezwaar niet in redelijkheid valt uit te sluiten.
26. In deze procedure is een veelheid van argumenten aangevoerd, die in hun kern raken aan twee vraagstukken: enerzijds de vraag naar de rechtsmacht van verweerder en anderzijds de vraag of verweerder zijn onderzoeksbevoegdheid, gelet op vermeende extraterritoriale effecten en mogelijke inbreuken op het verschoningsrecht, naar evenredigheid toepast. De voorzieningenrechter zal zich hierna richten op deze vraagstukken.