Gepubliceerd op dinsdag 3 november 2026
IT 5605
Rechtbank Noord-Holland ||
9 dec 2025,
Rechtbank Noord-Holland 9 dec 2025,, IT 5605; ECLI:NL:RBNHO:2025:14641 ([verzoeker 1] en [verzoeker 2] tegen [verweerder]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/werkgever-handelt-ernstig-verwijtbaar-door-prive-whatsappberichten-van-werknemers-te-gebruiken

Werkgever handelt ernstig verwijtbaar door privé-WhatsAppberichten van werknemers te gebruiken

Rb. Noord-Holland 9 december 2025, IT 5605; ECLI:NL:RBNHO:2025:14641 ([verzoeker 1] en [verzoeker 2] tegen [verweerder]). Twee koks verzoeken de kantonrechter om ieder een billijke vergoeding van € 30.000 wegens het niet voortzetten van hun arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Aanleiding is dat een leidinggevende via WhatsApp Web op een zakelijke laptop toegang heeft gekregen tot een privégesprek tussen de werknemers, waarin zij zich negatief uitlieten over collega's en leidinggevenden. De leidinggevende heeft het gesprek doorzocht, foto's van berichten gemaakt en deze met anderen binnen de onderneming gedeeld. Vervolgens heeft de werkgever besloten de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen vanwege een vertrouwensbreuk. Volgens de werknemers is sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op hun privacy en ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De kantonrechter stelt voorop dat WhatsApp-gesprekken in beginsel privé zijn en onder de bescherming van artikel 8 EVRM vallen. Werknemers mogen erop vertrouwen dat hun privécommunicatie niet door hun werkgever wordt gelezen, ook wanneer deze via WhatsApp Web op een zakelijke laptop toegankelijk is.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemers heeft gemaakt. Hoewel niet kan worden vastgesteld of de leidinggevende bewust handelingen heeft verricht om toegang tot het gesprek te verkrijgen, staat vast dat zij gedurende geruime tijd door de berichten heeft gescrold, het gesprek actief heeft doorzocht en zonder toestemming foto's heeft gemaakt en gedeeld. Dat de werknemers zich onbehoorlijk over collega's hebben uitgelaten, rechtvaardigt deze handelwijze niet. Door vervolgens gebruik te maken van de onrechtmatig verkregen privéberichten en daarop de beslissing te baseren om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen, heeft de werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld. Volgens de kantonrechter bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen de privacyschending en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomsten. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9, aanhef en onder a, BW. Omdat geen substantiële inkomensschade of concrete psychische of reputatieschade is aangetoond, maar de privacyschending wel immateriële gevolgen heeft gehad, kent de kantonrechter beide werknemers een billijke vergoeding van € 2.000 bruto toe. Daarnaast ontvangt één werknemer een transitievergoeding van € 1.278,41 bruto. Het tegenverzoek van de werkgever om een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat de inhoud van een WhatsAppgesprek in beginsel dient te worden beschouwd als privé en valt onder de bescherming van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een werkgever mag niet zomaar kennis nemen van de inhoud van een WhatsAppgesprek van een werknemer. Voor een inmenging in dit privéleven moet er een dwingende maatschappelijke behoefte bestaan. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] mochten er dan ook op vertrouwen dat berichten die in deze privé-context zijn verzonden niet door hun werkgever zouden worden gelezen, ook al waren deze berichten via WhatsApp Web op de zakelijke laptop in te zien..

4.7.

Vaststaat dat [verweerder] kennis heeft genomen van privé informatie waarvan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet hebben gewild dat hun werkgever deze zou zien. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker 2] hier zelf aan bijgedragen door het gesprek met [verzoeker 1] open te laten op de zakelijke laptop. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] betwisten dat het gesprek openstond toen [betrokkene 3] de laptop openklapte en stellen dat [betrokkene 3] zich op heimelijke wijze toegang heeft verschaft tot hun privégesprek. Het is voor de kantonrechter feitelijk onduidelijk gebleven of [betrokkene 3] bewuste handelingen heeft verricht om toegang te verkrijgen tot het WhatsApp-gesprek tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Wel staat zonder meer vast dat zij, nadat zij toegang had, gedurende geruime tijd door de berichten heeft gescrold en actief het gesprek heeft doorzocht. Vervolgens heeft zij zonder toestemming of overleg met [verzoeker 1] en [verzoeker 2] foto’s gemaakt van onderdelen van het gesprek en deze beelden gedeeld met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en Samil.

4.8.

Hoewel [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zich in deze conversatie op onbehoorlijke wijze hebben uitgelaten over collega’s, betreft het uitlatingen gedaan in een privé context, waarin zij er niet bedacht op hoefden te zijn dat hun werkgever daar kennis van zou nemen. Door vervolgens gebruik te maken van deze op onrechtmatige wijze verkregen privé berichten en daarop haar handelen te baseren, heeft [verweerder] een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht van [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Deze inbreuk dient, gelet op zowel de wijze van verkrijging als het daaropvolgende gebruik van de berichten, als ernstig verwijtbaar te worden gekwalificeerd. [verweerder] heeft aangevoerd dat de inhoud van de berichten en de daardoor ontstane vertrouwensbreuk de ernst van de inbreuk relativeren. De kantonrechter kan zich voorstellen dat de teksten bij [verweerder] en collega’s hard zijn binnengekomen, maar dit rechtvaardigt niet de wijze waarop de privé communicatie is verkregen en gebruikt. De uitspraak van rechtbank Amsterdam2 waar [verweerder] naar verwijst heeft een ander toetsingskader en is daarom niet vergelijkbaar met deze situatie. In die zaak ging het om een ontslag op staande voet en onrechtmatig verkregen bewijs.

4.9.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de inhoud van de WhatsApp-berichten en de daaruit door [verweerder] getrokken conclusies rechtstreeks hebben doorgewerkt in de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. [verweerder] heeft zelf bevestigd dat de ontstane vertrouwensbreuk — die uitsluitend het gevolg was van kennisname van de privé-berichten — bepalend was bij de keuze om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. Daarmee staat vast dat zonder de ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] deze vertrouwensbreuk niet zou zijn ontstaan. Het causale verband tussen de privacy-schending en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomsten is daarmee direct en evident. Het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst is dus een rechtstreeks gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. Op grond van artikel 7:673 lid 9 BW heeft werknemer recht op een billijke vergoeding.