19 mrt 2026
Afwijzing vorderingen tegen ING tot uitbetaling restsaldo, verwijdering IVR-registratie en inzage in interne stukken; proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht
Rb. Amsterdam 19 maart 2026, IEF 23439; IEFbe 5175; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank). In dit kort geding verzette een voormalig rekeninghouder van ING zich tegen de blokkering en beëindiging van zijn particuliere betaalrekening, de registratie van zijn persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (IVR), het uitblijven van uitbetaling van het resterende saldo van € 1.900 en het ontbreken van inzage in interne stukken. Aanleiding was dat eiser ING had benaderd over een volgens hem bestaande ING-rekening, aangeduid als een aan zijn BSN gekoppelde “derdengeldenrekening”, van waaruit batchbetalingen van miljoenen euro’s zouden moeten worden uitgevoerd. ING stelde zich op het standpunt dat dit rekeningnummer niet bestond, startte een onderzoek wegens (pogingen tot) oplichting en misleiding van ING-klanten, blokkeerde de rekening onder verwijzing naar artikel 41.2 van de Voorwaarden Betaalrekening, beëindigde de bankrelatie onder verwijzing naar artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden en handhaafde de IVR-registratie. Eiser vorderde vervolgens betaling van het restsaldo met rente, verwijdering van de IVR-registratie, inzage in alle interne stukken, schadevergoeding, dwangsommen en subsidiair vergoeding van werkelijke proceskosten. De kantonrechter verwerpt eerst het beroep van ING op nietigheid van de dagvaarding als obscuur libel. Hoewel de dagvaarding volgens de rechter geen concludent stuk was en eiser als juridisch professional zijn waarheidsplicht en substantiëringsplicht had geschonden door feiten en verweren van ING niet volledig en juist weer te geven, producties deels onleesbaar of niet aangehecht waren en artikel 21 Rv dus in beeld kwam, was ING niet onredelijk in haar belangen geschaad omdat zij zich inhoudelijk voldoende had kunnen verweren; daarom werd het beroep op nietigheid op grond van artikel 111 lid 2 onder d, artikel 120 en artikel 122 Rv verworpen.
Vervolgens wijst de kantonrechter alle vorderingen inhoudelijk af. De vordering tot uitbetaling van het restsaldo strandt wegens gebrek aan belang, omdat vaststond dat ING de verschuldigdheid daarvan al meerdere malen vóór de procedure had erkend en eiser zelf de uitbetaling had gefrustreerd door geen bruikbare betalingsinstructie te geven, terwijl ING hem ook de mogelijkheid had geboden het saldo zonder gebruik van het formulier te laten overboeken. De vordering tot verwijdering van de IVR-registratie wordt eveneens afgewezen, omdat ING de fraudeverdenking voorshands voldoende had gemotiveerd, het slechts een interne registratie van ING betreft waartoe andere banken geen toegang hebben, eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daardoor feitelijk van het bancaire systeem was uitgesloten, en hij bovendien ter zitting had verklaard te berusten in de beëindiging van de bankrelatie. Ook de vordering tot inzage in “alle interne stukken” wordt afgewezen: die vordering is te onbepaald, voldoet niet aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 194 Rv en artikel 195 Rv leent zich niet voor een fishing expedition; voor zover het verzoek als een inzageverzoek ex artikel 15 AVG moest worden opgevat, had ING al een overzicht van de verwerking van eisers persoonsgegevens verstrekt. De rechtbank merkt daarbij op dat de inzagevordering feitelijk was ingegeven door eisers ongefundeerde overtuiging dat banken geheime, aan BSN’s gekoppelde rekeningen aanhouden. Omdat de hoofdvorderingen falen, worden ook de vorderingen tot schadevergoeding en dwangsommen afgewezen. Ten slotte veroordeelt de kantonrechter eiser wegens misbruik van procesrecht niet volgens het liquidatietarief maar in een aanzienlijk deel van de werkelijke proceskosten van ING, begroot op € 7.572, omdat hij de procedure nodeloos had veroorzaakt door zelf de uitbetaling van het restsaldo te frustreren, in strijd met de waarheid te stellen dat hij door de IVR-registratie nergens meer kon bankieren, en een evident onbepaalde en kansloze inzagevordering in te stellen, terwijl hij als juridisch professional wist of behoorde te weten dat deze vorderingen geen reële kans van slagen hadden. De rechtbank weegt daarbij mee dat in een eerdere procedure waarin eiser als gemachtigde optrad al een dagvaarding wegens obscuur libel nietig was verklaard en dat ook in deze zaak de ingestelde vorderingen berustten op overtuigingen die iedere feitelijke grondslag ontberen. Het dictum luidt dan ook dat alle vorderingen worden afgewezen, eiser in de proceskosten van € 7.572 wordt veroordeeld en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Intrekking IVR-registratie
4.7.
Vervolgens vordert [eiser] de intrekking van zijn gegevens uit het IVR. Als onderbouwing van het spoedeisend belang bij deze vordering heeft [eiser] gesteld dat hij als ‘direct gevolg’ van deze registratie ‘bij andere banken geen zakelijke rekening kan openen en zijn nieuwe onderneming niet kan starten’ en daarmee ‘feitelijk uitgesloten is van het bancaire systeem’. Deze stellingen zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Allereerst speelt de vraag of de registratie gerechtvaardigd is. De reden voor de plaatsing in het IVR is de fraudeverdenking en dat daarvan sprake is heeft ING Bank naar het oordeel van de kantonrechter voorshands voldoende gemotiveerd. Voorts heeft ING Bank onweersproken aangevoerd dat de registratie geldt voor acht jaar, zodat deze voorshands niet – zoals door [eiser] gesteld – als ‘disproportioneel’ te gelden heeft. Dan speelt de vraag naar de gevolgen van de registratie voor [eiser] . ING Bank heeft gemotiveerd aangevoerd dat het een interne registratie van ING Bank betreft, waar geen enkele andere bank of instelling kennis van of toegang tot heeft. Dat [eiser] als gevolg van de registratie nergens meer kan bankieren is door hem niet aannemelijk gemaakt. Integendeel, door [eiser] zijn afschriften van een naar zijn zeggen bestaande en door hem bij ABN AMRO gehouden bankrekening overgelegd. Daarnaast heeft [eiser] ter zitting bevestigd dat hij berust in de beëindiging van de bankrelatie met ING Bank, zodat ook het belang bij deze vordering ontbreekt. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
Inzage interne stukken
4.8.
Daarbij heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter op voet van artikel 195 Rv ING Bank beveelt om inzage te geven ‘in alle interne stukken’. Ook deze vordering zal worden afgewezen, hiertoe is het volgende redengevend.
4.9.
Uit de toelichting door [eiser] heeft de kantonrechter begrepen dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening erin zou liggen dat [eiser] inzage in ‘alle interne stukken die bij ING Bank over hem bestaan’ nodig heeft voor het opstarten van zijn nieuwe onderneming. Allereerst geldt dat deze vordering te onbepaald is. Niet is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 194 Rv, op grond waarvan van [eiser] mag worden gevergd dat hij stelt waarom een redelijke grond bestaat dat die ander over die informatie beschikt en dat hij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor zijn rechtspositie. Artikel 195 Rv – analoog aan een verzoek op grond van artikel 196 Rv – leent zich niet voor zogenaamde ‘fishing expedions’. [eiser] heeft zijn vordering voorts onvoldoende onderbouwd.
4.10.
Voor zover de vordering van [eiser] te beschouwen zou zijn als een verzoek tot inzage in persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) heeft ING Bank op 19 februari 2026, kort na de ontvangst van de dagvaarding, een overzicht gestuurd van de verwerking van zijn persoonsgegevens door ING Bank.
4.11.
Daar komt bij dat deze vordering lijkt te zijn ingegeven louter door de overtuiging van [eiser] dat ING Bank burgerservicenummers structureel gebruikt voor bankrekeningen en dit systematisch verzwijgt (“Wat heeft gedaagde te verbergen? De gedaagde is toch transparant?”) voor haar klanten, waaronder zijn cliënt [naam] en [eiser] zelf. Zo schreef hij op 25 februari 2025 aan ING Bank: “ING Bank heeft de derdengeldenrekening geheim gehouden totdat de rechtmatige eigenaar deze opeiste. (…) Mijn sepa-batches met de opgegeven rekeningnummer betreft een derdengeldenrekening die uitsluitend aan mij toebehoort i.v.m. mijn BSN.” [eiser] legt de bewijslast voor zijn stelling bij ING Bank: naar zijn overtuiging dient ING Bank te bewijzen dat de geheime bankrekening niet bestaat. De bewijslast voor zijn stelling dat die bankrekening bestaat ligt echter bij [eiser] . Als enige onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] enkele afschriften van maandtariferingsnota’s op zijn naam van ABN AMRO in het geding gebracht waarop melding gemaakt wordt van een rekeningnummer [nummer] , een nummer dat correspondeert met het BSN van [eiser] , namelijk [nummer] . Door ING Bank is aangevoerd dat met betrekking tot deze nota’s sprake is van valsheid in geschrifte. Uit overgelegde e-mailcorrespondentie met ABN AMRO volgt dat dit ABN AMRO bankrekeningnummer van [eiser] niet bestaat en dat ABN AMRO geen bankrekeningen heeft die starten met nummer 17. Of sprake is van een vervalsing kan in het midden blijven omdat het bestaan van een rekening bij een andere bank niets zegt over het bestaan van een rekening bij ING Bank.