Gepubliceerd op vrijdag 14 augustus 2026
IT 5435
HvJ EU ||
4 jun 2026,
HvJ EU 4 jun 2026,, IT 5435; ECLI:EU:C:2026:449 (Darashev), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/avg-van-toepassing-op-opslag-van-strafrechtelijke-gegevens-in-personeelsdossier-politieambtenaar

AVG van toepassing op opslag van strafrechtelijke gegevens in personeelsdossier politieambtenaar

HvJ EU 4 juni 2026, IT 5435; ECLI:EU:C:2026:449 (Darashev). In deze zaak beantwoordt het Hof elf prejudiciële vragen van de Bulgaarse rechter over de toepassing van de AVG, Richtlijn (EU) 2016/680 en Richtlijn 2000/78 op persoonsgegevens die tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar een politieambtenaar zijn verkregen en vervolgens in zijn personeelsdossier worden bewaard. De betrokken politieambtenaar wordt in het kader van een onderzoek naar een gewelddadige diefstal als verdachte aangehouden, gedurende 24 uur vastgehouden en onderworpen aan verschillende onderzoeksmaatregelen. Hij wordt bij een herkenningsprocedure niet door de slachtoffers geïdentificeerd en zijn vingerafdrukken worden niet op de goederen van de slachtoffers aangetroffen. Hij wordt nadien niet vervolgd of in staat van beschuldiging gesteld en het onderzoek wordt geschorst omdat de dader niet kan worden geïdentificeerd. De ambtenaar blijft werkzaam bij het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken, maar gegevens over zijn aanhouding, zijn status als verdachte en de tegen hem verrichte onderzoeksmaatregelen blijven in zijn personeelsdossier en de bestanden van het ministerie opgenomen. Volgens hem wordt hem mede op grond van die gegevens bevordering geweigerd. Hij vordert schadevergoeding en verwijdering van de gegevens. De verwijzende rechter vraagt onder meer welk gegevensbeschermingsregime op deze verwerking van toepassing is, of de opslag in het personeelsdossier rechtmatig kan zijn op grond van een wettelijke verplichting, of aanspraak bestaat op gegevenswissing en of een weigering van bevordering wegens de status van verdachte onder Richtlijn 2000/78 valt. 

Het Hof oordeelt dat de AVG van toepassing is op de verwerking waarbij een directoraat van een overheidsinstantie gegevens over de status van een ambtenaar als verdachte in diens personeelsdossier bewaart, wanneer dat directoraat die gegevens verwerkt in zijn hoedanigheid van werkgever. Dat de gegevens zijn verkregen van een ander directoraat van dezelfde overheidsinstantie dat bevoegd is strafrechtelijke onderzoeken te verrichten, doet daaraan niet af. Het Hof behandelt de eerste tot en met derde en de zevende tot en met negende prejudiciële vraag gezamenlijk in die zin; de vierde vraag over artikel 9 AVG is niet-ontvankelijk omdat niet blijkt dat de betrokken gegevens tot de bijzondere categorieën van persoonsgegevens van artikel 9 lid 1 behoren. Ten aanzien van de vijfde en zesde vraag oordeelt het Hof dat artikel 17 lid 3 onder b AVG, gelezen in samenhang met artikel 6 lid 1 onder c en lid 3 AVG en artikel 52 lid 1 Handvest, zich er niet zonder meer tegen verzet dat gegevens over de status van verdachte in het personeelsdossier worden bewaard met het oog op loopbaanbeheer en toezicht op de naleving van de aan het politieambt verbonden verplichtingen. Een dergelijke verwerking kan noodzakelijk zijn ter nakoming van een op de werkgever rustende wettelijke verplichting, mits de nationale rechtsgrond duidelijk en nauwkeurig is, voor betrokkenen voorzienbaar is, een doelstelling van algemeen belang dient en evenredig is aan die doelstelling. Een dergelijke rechtsgrond hoeft niet noodzakelijk in een formele parlementaire wet zelf volledig te zijn uitgewerkt, maar kan ook worden neergelegd in een regelgevende handeling van de bevoegde overheidsinstantie wanneer het nationale recht haar daartoe machtigt. Het Hof benadrukt daarbij dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of deze voorwaarden daadwerkelijk zijn vervuld. In een situatie waarin het strafrechtelijk onderzoek is geschorst, de dader niet kon worden vastgesteld, geen bewijs tegen de betrokken ambtenaar is gevonden en geen disciplinaire procedure tegen hem is ingesteld, blijkt volgens het Hof uit het dossier niet zonder meer dat verdere bewaring geschikt is om het nagestreefde integriteitsdoel te verwezenlijken. Ook moet de bewaartermijn noodzakelijk blijven: zodra de gegevens langer worden bewaard dan voor de wettelijke verplichting nodig is, kan de betrokkene zijn recht op gegevenswissing op grond van artikel 17 lid 1 onder a AVG herkrijgen. De gegevens vallen bovendien onder artikel 10 AVG als persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, ook al is uiteindelijk niet vastgesteld dat de betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd. De tiende vraag, die dezelfde verwijderingsproblematiek onder artikel 16 lid 2 van Richtlijn 2016/680 betreft, behoeft daarom geen beantwoording. Ten slotte oordeelt het Hof over de elfde vraag dat Richtlijn 2000/78 niet van toepassing is op een weigering tot bevordering die uitsluitend is gebaseerd op de eerdere status van verdachte, omdat die status niet behoort tot de limitatief opgesomde discriminatiegronden van die richtlijn.

73. Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde en de zevende tot en met de negende vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, AVG en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2016/680 aldus moeten worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op de activiteit die door het directoraat van een overheidsinstantie wordt verricht en die erin bestaat dat in het personeelsdossier van een van haar ambtenaren gegevens worden bewaard betreffende zijn status van verdachte in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. In dit verband is het niet van belang dat dit directoraat deze gegevens heeft verkregen via een ander directoraat dat tot dezelfde overheidsinstantie behoort en dat bevoegd is om dit soort onderzoeken uit te voeren.

109. Gelet op een en ander moet op de vijfde en de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 3, onder b), AVG, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), en artikel 6, lid 3, alsmede in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de bewaring, in het personeelsdossier van een politieagent, van persoonsgegevens die betrekking hebben op diens status van verdachte in het kader van een opgeschort strafrechtelijk onderzoek, waarbij die agent noch aangeklaagd noch vervolgd is geweest voor het betrokken strafbaar feit, met het oog op het beheer van zijn loopbaan en op de controle van de naleving door die agent van de aan zijn functie inherente regels, als gerechtvaardigd kan worden beschouwd ter nakoming van een wettelijke verplichting waaraan de overheidsinstantie, de werkgever van die agent, krachtens het nationale recht is onderworpen, op voorwaarde dat die rechtsgrond duidelijk en nauwkeurig is, de toepassing ervan voorspelbaar is voor de betrokkenen en die verplichting beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en daaraan evenredig is.

110. Gelet op de antwoorden op de eerste tot en met de derde en de vijfde tot en met de negende vraag, waaruit blijkt dat de vordering om wissing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gegevens onder de AVG en in het bijzonder onder artikel 17 valt, hoeft de tiende vraag niet te worden beantwoord, aangezien die vraag betrekking heeft op dezelfde vordering, maar dan op grond van artikel 16, lid 2, van richtlijn 2016/680.

115. Bijgevolg moet op de elfde vraag worden geantwoord dat artikel 1 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is wanneer een overheidsinstantie, waarvan een directoraat belast is met het voeren van strafrechtelijke onderzoeken naar de bij die instantie in dienst zijnde ambtenaren, in haar hoedanigheid van werkgever weigert om een van haar ambtenaren te bevorderen, uitsluitend op grond van het feit dat deze de status van verdachte had in het kader van een dergelijk onderzoek dat uiteindelijk is opgeschort, waarbij die agent noch aangeklaagd noch vervolgd is geweest voor het betrokken strafbaar feit.