3 jun 2026
Cryptobeurs moet KYC-gegevens en transactieoverzichten verstrekken na crypto-oplichting
Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, IT&Recht 5309; ECLI:NL:RBMNE2026:3037 ([eisende partij] tegen Bitfinex). In deze zaak staat de vraag centraal of een slachtoffer van crypto-oplichting in kort geding kan afdwingen dat een buitenlandse cryptobeurs identificerende gegevens van accounthouders en transactiegegevens van betrokken wallet-adressen verstrekt. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland beantwoordt die vraag bevestigend en veroordeelt Bitfinex tot afgifte van zowel de Know Your Customer (KYC)-gegevens als de volledige transactieoverzichten van zeven wallet-adressen. [eisende partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van oplichting waarbij hij cryptovaluta heeft overgemaakt naar verschillende wallet-adressen die volgens hem toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. Om de identiteit van de oplichters te kunnen achterhalen en zijn schade te verhalen, vordert hij in kort geding afgifte van de KYC-gegevens van de accounthouders van deze adressen, alsmede de volledige transactiegeschiedenis van de betreffende accounts. Bitfinex, bestaande uit de vennootschappen IFINEX Inc., BFXNA Inc. en BFXWW Inc., verschijnt niet in de procedure. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of verstek kan worden verleend. De rechtbank stelt vast dat het exploot van de dagvaarding is uitgebracht met inachtneming van het Haags Betekeningsverdrag, de Uitvoeringswet van dat verdrag en artikel 55 Rv. Niet is gebleken dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 en 2 van het Haags Betekeningsverdrag daadwerkelijk is betekend of in persoon aan Bitfinex is afgegeven. In beginsel staat dat aan verstekverlening in de weg. De voorzieningenrechter oordeelt toch dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag, dat in spoedeisende gevallen toestaat om verstek te verlenen zonder dat volledig aan de betekeningsvereisten is voldaan. Daarbij moet wel voldoende zijn gewaarborgd dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk heeft bereikt en dat deze voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Volgens de rechtbank is aan die voorwaarden voldaan. [eisende partij] heeft toegelicht dat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen, voor een poging zijn schade te verhalen en voor het vervolg van de strafrechtelijke procedure.
Daarnaast is sprake van spoedeisendheid, omdat de bewaartermijn van de gevraagde gegevens bijna is verstreken. Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft [eisende partij] aanvullende stukken overgelegd waaruit blijkt dat de conceptdagvaarding al op 26 maart 2026 per e-mail aan de jurist van Bitfinex is verzonden en dat de definitieve dagvaarding met Engelse vertaling op 17 april 2026 eveneens per e-mail is toegestuurd. Tot de overgelegde stukken behoren de betreffende e-mails, de Engelse vertaling van de dagvaarding en een ontvangstbevestiging van Bitfinex van 17 april 2026. Daarmee is volgens de voorzieningenrechter in voldoende mate gewaarborgd dat Bitfinex de dagvaarding daadwerkelijk en tijdig heeft ontvangen, zodat zij de mogelijkheid had om verweer te voeren. Verstek wordt daarom verleend met toepassing van artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de vorderingen van [eisende partij] haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze toe. Bitfinex wordt hoofdelijk veroordeeld om binnen vijf dagen na verzending van het vonnis en een Engelse vertaling daarvan alle identificerende gegevens van de accounthouders van zeven in het vonnis genoemde wallet-adressen te verstrekken. Het gaat daarbij onder meer om volledige voornamen, achternamen, adressen, postcodes, woonplaatsen en e-mailadressen. Daarnaast moet Bitfinex de volledige transactieoverzichten van de betreffende accounts verstrekken over de periode van 1 december 2022 tot en met de datum van het vonnis. Deze overzichten moeten alle aan- en afboekingen bevatten, evenals uitbetalingen in fiat-valuta en cryptovaluta, het tijdstip van iedere transactie en de betrokken tegenrekeningen of tegenadressen. Aan deze veroordelingen verbindt de voorzieningenrechter een dwangsom van € 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat Bitfinex niet aan het vonnis voldoet, met een maximum van € 100.000. Ook wordt Bitfinex hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 1.809,57, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze niet tijdig worden voldaan.
3.4. Niet gebleken is echter dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 (en 2) van het Haags Betekeningsverdrag is betekend of in persoon aan de gedaagde is afgegeven. Dat brengt in beginsel mee dat, gelet op artikel 15 lid 1 Haags Betekeningsverdrag, (nog) geen verstek kan worden verleend tegen Bitfinex, tenzij aan het bepaalde in artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag toepassing kan worden gegeven. Op grond van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag kan de rechter “in spoedeisende gevallen” verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde verlenen zonder dat behoeft te blijken dat aan de voorwaarden van artikel 15 Haags Betekeningsverdrag is voldaan. Wel zal met inachtneming van de vereiste spoed zoveel mogelijk, overeenkomstig de doelstelling van het verdrag, gewaarborgd moeten zijn dat een uitgebracht exploot degene voor wie het is bestemd daadwerkelijk bereikt en – indien het om een dagvaarding gaat – zo tijdig dat deze de mogelijkheid heeft verweer te voeren.
3.5. [eisende partij] vordert de KYC-gegevens en transactieoverzichten, omdat deze noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen. Dat is van belang voor (het doen van een poging tot) het verhalen van de schade van [eisende partij] op de oplichters, voor en het vervolg van de strafrechtelijke procedure tegen de oplichters. [eisende partij] heeft daarbij een spoedeisend belang zoals artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag vereist, omdat de bewaartermijn van deze gegevens bijna is verstreken.
3.6. Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter [eisende partij] een termijn van een week gegeven om aanvullende stukken te overleggen waaruit blijkt dat Bitfinex op 17 april 2026 het exploot van de dagvaarding per e-mail heeft toegestuurd gekregen. Op 7 mei 2026 heeft [eisende partij] een akte aanvullende producties ingediend. Tot de daarbij overgelegde producties behoren, voor zover van belang:
- een e-mail aan de jurist van Bitfinex van 26 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd en waarin is aangegeven dat als bijlage de conceptdagvaarding is verstuurd,
- een e-mail van de gerechtsdeurwaarder aan de jurist van Bitfinex van 17 april 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd, waarin om een ontvangstbevestiging wordt gevraagd, en waarin is aangegeven dat als bijlage de dagvaarding en een Engelse vertaling daarvan zijn verstuurd,
- een document met de naam ‘Eerste bijlage bij e-mail (…) d.d. 17 april 2026’ met daarin een Engelse vertaling van de dagvaarding en producties, en
- een document met de naam ‘Tweede bijlage bij e-mail (…) d.d. 17 april 2026’ met daarin de dagvaarding en producties,
- een e-mail van Bitfinex van 17 april 2026 in reactie op de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 17 april 2026, met een ontvangstbevestiging.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit in voldoende mate, en is hiermee voldoende gewaarborgd, dat de dagvaarding Bitfinex daadwerkelijk heeft bereikt en zo tijdig dat zij nog de mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren. Dat betekent dat – met toepassing van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag – verstek zal worden verleend tegen Bitfinex.