Gepubliceerd op dinsdag 17 maart 2026
IT 5146
Rechtbank Amsterdam ||
5 nov 2025
Rechtbank Amsterdam 5 nov 2025, IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

De rechtbank volgt het standpunt van Wolfson. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof overweegt zij dat de mededingingsverstorende effecten juist voortvloeien uit de gecombineerde werking van beide praktijken. Daarom moet in de counterfactual worden uitgegaan van een situatie waarin beide elementen van de inbreuk volledig ontbreken. Dit sluit volgens de rechtbank ook aan bij het uitgangspunt van het Nederlandse schadevergoedingsrecht dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zonder de onrechtmatige gedraging zou hebben verkeerd. Daarnaast wijst de rechtbank een verzoek van Wolfson af om Google te verplichten de volledige, niet-geanonimiseerde versie van het Commissie-besluit over te leggen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van de zaak. Tot slot geeft de rechtbank nadere aanwijzingen voor de verdere schadebegroting. De zaak wordt aangehouden zodat partijen zich nader kunnen uitlaten over de omvang van de schade, eventueel ondersteund door deskundigenrapportages.

4.23 Het gaat hier om schade als gevolg van het opzettelijk handelen in strijd met het mededingingsrecht door misbreuk te maken van een machtspositie. De rechtbank acht het het meest met de aard van de aansprakelijkheid in overeenstemming om bij het toerekenen van de gevolgen van het inbreukmakende gedrag uit te gaan van een situatie zonder inbreuk waarin beide elementen van het schadeveroorzakend gedrag geheel achterwege zouden zijn gebleven, zoals ook het HvJEU feitelijk doet. Bij deze vorm van aansprakelijkheid past namelijk niet dat de schadeveroorzaker die het mededingingsrecht opzettelijk heeft geschonden na ontdekking daarvan wordt ‘geholpen’ door uit te gaan van een situatie waarin de inbreukmaker voor het meest gunstige alternatief zou hebben gekozen dat mogelijk nog net wel toelaatbaar zou zijn. Ook om die reden faalt het genoemde betoog van Google dus.