4 feb 2026
Stichting Data Bescherming Nederland niet ontvankelijk in WAMCA-procedure; beslissing wordt toch aangehouden
Rb. Amsterdam 4 februari 2026, IT 5116; ECLI:NL:RBAMS:2026:1555 (SDBN tegen X corp. c.s.). De rechtbank Amsterdam heeft in een collectieve privacyzaak tegen X Corp (voorheen Twitter) geoordeeld dat Stichting Data Bescherming Nederland (SDBN) vooralsnog niet voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. De procedure draait om het advertentieplatform MoPub, dat onderdeel was van Twitter. Volgens SDBN zijn via de software-ontwikkelingskit van MoPub gedurende een lange periode persoonsgegevens verzameld van gebruikers van gratis mobiele apps en vervolgens gedeeld met een groot aantal derden voor gepersonaliseerde advertenties. Dat zou zijn gebeurd via tienduizenden apps en betrekking hebben op miljoenen Nederlandse gebruikers. De stichting vordert onder meer verklaringen voor recht, vernietiging van gegevens, inzage in gedeelde data en collectieve vergoeding van materiële en immateriële schade. De rechtbank benadrukt dat in deze fase nog geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven over de vraag of daadwerkelijk sprake is van een schending van privacywetgeving. Eerst moet worden beoordeeld of de belangenorganisatie bevoegd is om deze collectieve vorderingen in te stellen. Daarbij spelen met name de eisen van representativiteit en gelijksoortigheid van belangen een rol. Volgens de rechtbank ontbreekt een voldoende aantoonbare achterban. De groep waarvoor SDBN stelt op te komen omvat feitelijk vrijwel alle Nederlandse smartphonegebruikers in de relevante periode, naar schatting circa elf miljoen personen. Daartegenover staan ongeveer 11.000 aanmeldingen via de website van de stichting, wat neerkomt op circa 0,1% van de gestelde groep. Dat acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen aannemen dat de stichting daadwerkelijk namens een wezenlijk deel van de gedupeerden optreedt. Bovendien blijkt uit de wijze van aanmelding niet zonder meer dat de betrokkenen de concrete ingestelde vorderingen daadwerkelijk ondersteunen.
Daarnaast voldoen de vorderingen volgens de rechtbank niet aan het vereiste van gelijksoortigheid. De gestelde gegevensverwerking vond plaats via meer dan 30.000 verschillende apps. Per app kan de wijze van gegevensverzameling, de configuratie van de software en vooral de manier waarop toestemming aan gebruikers werd gevraagd aanzienlijk verschillen. Daardoor moet per app en per gebruiker afzonderlijk worden beoordeeld of persoonsgegevens zijn verwerkt en of die verwerking rechtmatig was. Een collectieve beoordeling zonder individuele omstandigheden is daarom volgens de rechtbank niet goed mogelijk. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het voorlopige oordeel dat SDBN niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Toch wordt nog geen eindbeslissing genomen. De rechtbank wijst erop dat de rechtbank Rotterdam inmiddels prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft gesteld over artikel 80 AVG [IT 4941]. Die antwoorden kunnen bepalend zijn voor de ontvankelijkheid van de onderhavige procedure. Daarom krijgen partijen eerst gelegenheid zich uit te laten over een aanhouding van de zaak totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan.
Conclusie
5.34.
Dit alles betekent dat SDBN op grond van de toetsing aan de ontvankelijkheidsvereisten in de WAMCA die zien op representativiteit en gelijksoortigheid in haar vorderingen niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De overige ontvankelijkheidsvereisten behoeven dan geen behandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een afzonderlijke niet-ontvankelijkverklaring van SDBN in haar aanvankelijke vorderingen jegens Twitter Inc, die ten tijde van de dagvaarding al niet meer bestond.
Voornemen tot aanhouding – prejudiciële vragen rechtbank Rotterdam (Amazon)
5.35.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank Rotterdam prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU die, naar het zich laat aanzien, ook relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van (de vorderingen van) SDBN. De rechtbank ziet in het licht hiervan aanleiding om de beslissing over de ontvankelijkheid van (de vorderingen van) SDBN aan te houden totdat het HvJEU de prejudiciële vragen van de rechtbank Rotterdam heeft beantwoord. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich over dit voornemen uit te laten voordat de rechtbank een definitieve beslissing (aanhouding of niet-ontvankelijkverklaring) neemt. De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol.