Niet tijdig opgezegde ICT-beheerovereenkomst eindigt niet; opdrachtgever moet openstaande facturen betalen
Rb. Midden-Nederland 16 april 2025, IT 5236; ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres] tegen Het Utrechts Archief). De kantonrechter oordeelt dat de tussen [eiseres] B.V. en Het Utrechts Archief gesloten overeenkomst van opdracht voor ICT-diensten inzake werkplekkenbeheer niet per 1 maart 2024 is geëindigd en dus voor de in geschil zijnde periode is blijven doorlopen. De overeenkomst was op 1 maart 2021 ingegaan voor de duur van drie jaar en zou op grond van artikel 4.2 van de Nederland ICT Voorwaarden 2014 telkens stilzwijgend voor dezelfde duur worden verlengd, tenzij uiterlijk drie maanden voor het einde schriftelijk werd opgezegd. Het Utrechts Archief beriep zich op een e-mailwisseling van 13 november 2023 en stelde primair dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd, althans dat zij erop mocht vertrouwen dat [eiseres] daarmee instemde. Dat verweer faalt. De toezegging dat de lopende contracten met [eiseres] “automatisch” zouden worden stilgezet, was afkomstig van zusteronderneming [onderneming] en niet van [eiseres] zelf. Daarom slaagt noch een beroep op artikel 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen), noch op artikel 3:61 BW (schijn van volmacht), noch op artikel 3:37 lid 4 BW. Ook kan die e-mailwisseling niet als tijdige opzegging gelden, omdat daarin niet over opzegging wordt gesproken en uitsluitend tegenover [onderneming] is gesproken over het stilzetten van contracten met [eiseres]. Het latere beroep van Het Utrechts Archief op tussentijdse opzegging bij brief van 18 januari 2024 slaagt evenmin: de stelling dat het contractuele verbod op tussentijdse opzegging onredelijk bezwarend is, is onvoldoende onderbouwd, terwijl de kantonrechter bovendien meeweegt dat artikel 7:408 BW van regelend recht is en dus contractueel kan worden beperkt.