Artikel ingezonden door Arjen Schram.
De bewijskracht van de ‘Blockchain-timestamp’ in auteursrechtelijke geschillen
Een maand geleden verzond minister Dekker het onderzoeksrapport Blockchain en het recht naar de Tweede Kamer. In opdracht van het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) van het ministerie van Justitie, deed het Tilburg Institute for Law and Technology een verkennend onderzoek naar de kansen en risico’s van Blockchain-technologie vanuit een juridisch perspectief. In het onderzoek is onder meer aandacht besteed aan de juridische bewijskracht van in de Blockchain ondergebrachte transacties. De onderzoekers concluderen dat een Blockchain-transactie kan gelden als elektronische akte, die dezelfde bewijskracht heeft als een gewone schriftelijke akte (art. 156a Rv). Daarvoor is vereist dat een blockchain voor wat betreft de ondertekening van transacties gebruik maakt van een private-public key paar op basis van bijvoorbeeld het RSA-algoritme, waardoor kan worden gesproken van een zogenoemde geavanceerde elektronische handtekening in de zin van art. 26 eIDAS-Verordening. De rechter zal als vermoeden moeten aannemen dat de ondertekening met de private key bewijst dat de transactie is gegenereerd door de ‘eigenaar’ van de sleutel. De bewijsrechtelijke meerwaarde van de Blockchain is met name dat door gebruikmaking van de sleutel tevens vast komt te staan dat een transactie op een bepaald moment is verricht (timestamping). Een blockchain zou daarmee volgens de onderzoekers een vergelijkbare functie kunnen vervullen als de vroegere registratie van akten bij de Belastingdienst op grond van de Registratiewet. Zij onderkennen dus de kansen die de Blockchain in bewijsrechtelijk opzicht heeft te bieden.