Gepubliceerd op donderdag 5 november 2026
IT 5635
Rechtbank Amsterdam ||
21 okt 2026,
Rechtbank Amsterdam 21 okt 2026,, IT 5635; ECLI:NL:RBAMS:2026:10630 (SOMI tegen X Corp c.s.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/somi-ontvankelijk-in-collectieve-actie-tegen-x-over-datalekken-microtargeting-en-haatzaaiende-berichten

SOMI ontvankelijk in collectieve actie tegen X over datalekken, microtargeting en haatzaaiende berichten

Rb. Amsterdam 21 oktober 2026, IEF 23995; RB 4180; IT 5635; ECLI:NL:RBAMS:2026:10630 (SOMI tegen X Corp c.s.). In deze zaak tussen Stichting Onderzoek Marktinformatie (SOMI) en X Corp, staat de ontvankelijkheid van SOMI in een collectieve actie namens ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van X (voorheen Twitter) centraal. SOMI stelt dat [gedaagden] met de inrichting, exploitatie en beveiliging van het platform de grondrechten van gebruikers schenden. De verwijten hebben onder meer betrekking op datalekken, ongeoorloofde microtargeting en haatzaaiende berichten. SOMI vordert dat [gedaagden] deze praktijken beëindigen en de schade van gebruikers vergoeden. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat SOMI aan vrijwel alle ontvankelijkheidseisen van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) voldoet. Alleen de financiële middelen en de zeggenschap over de collectieve vordering moesten nader worden onderbouwd. De rechtbank stelt voorop dat het middelenvereiste van artikel 3:305a lid 2 onder c BW slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat zij over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te voeren. De rechter hoeft daarbij niet diepgaand te onderzoeken of de organisatie de gehele procedure kan financieren en hoeft evenmin vooraf zekerheid te verkrijgen over de financiering van een eventueel hoger beroep of cassatie. Ook is geen zelfstandig onderzoek vereist naar de kapitaalkrachtigheid en solvabiliteit van de externe procesfinancier.

SOMI heeft ter financiering van haar activiteiten een schenkingsovereenkomst gesloten met Reunion Ventures voor een bedrag van € 6,5 miljoen. Hiervan was op 1 januari 2026 nog ruim € 2,5 miljoen beschikbaar. Hoewel [gedaagden] de financiële positie van Reunion betwisten en zich daarbij beroepen op een rapport van Grant Thornton, ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen dat Reunion haar resterende verplichtingen niet kan nakomen. Daarnaast beschikt SOMI over alternatieve financieringsbronnen, waaronder de uitgifte van certificaten en inkomsten uit haar eigen app. De rechtbank acht daarmee voldoende aannemelijk dat SOMI de kosten van de procedure kan dragen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de zeggenschap over de collectieve vordering voldoende bij SOMI ligt. [gedaagden] stellen dat Reunion en een bij beide organisaties betrokken bestuurder feitelijk te veel invloed kunnen uitoefenen op de procesvoering. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om terug te komen op haar eerdere oordeel dat de zeggenschap voldoende is gewaarborgd. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist volgens de rechtbank niet dat een procesfinancier helemaal geen invloed mag hebben. Doorslaggevend is dat de financier niet uiteindelijk beslist over de proces- of schikkingsstrategie. Ook blijkt uit de voorwaarden van de uitgegeven certificaten dat daaraan geen zeggenschaps-, stem- of vergaderrechten zijn verbonden. De rechtbank concludeert dat SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen van de WAMCA voldoet en verklaart haar ontvankelijk in de collectieve vordering. SOMI wordt aangewezen als exclusieve belangenbehartiger. De collectieve actie heeft betrekking op drie groepen Nederlandse gebruikers van X: gebruikers die zijn getroffen door datalekken en gebrekkige beveiliging, gebruikers die onderwerp waren van ongeoorloofde microtargeting en gebruikers van wie de belangen worden geraakt door mogelijke schendingen van verplichtingen uit de Digital Services Act (DSA), waaronder verplichtingen rond systeemrisico's en haatzaaiende berichten. De rechtbank zal nog een termijn voor opt-out vaststellen. Met deze beslissing kan de procedure naar de inhoudelijke fase. De rechtbank heeft nog niet beoordeeld of X daadwerkelijk de AVG, de DSA of andere rechten van gebruikers heeft geschonden. Ook de ontvankelijkheidsvereisten die voortvloeien uit de AVG moeten in de inhoudelijke fase nog worden beoordeeld.

3.4. De rechtbank stelt voorop dat, bij de toets van het middelenvereiste van artikel 3:305a lid 2 sub c BW, de belangenbehartiger aannemelijk moet maken dat hij op het moment van toetsing over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te voeren. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze toets slechts marginaal is.2 De rechter hoeft niet diepgaand te onderzoeken of de belangenbehartiger financieel sterk genoeg is om de hele procedure te bekostigen. Ook hoeft de rechter niet vooraf met zekerheid vast te stellen dat alle toekomstige kosten voor de procedure kunnen worden betaald. Verder hoeft de belangenbehartiger niet reeds bij aanvang van de procedure zekerheid te verschaffen over de financiering van iedere mogelijke fase in de procedure, waaronder een eventueel hoger beroep of cassatie. In een eventueel hoger beroep zal een nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheidseisen naar de situatie ten tijde van de beslissing in hoger beroep (“ex nunc”) plaatsvinden en zal moeten worden bekeken of de belangenhartiger voldoende financiering heeft voor de procedure in hoger beroep.3 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter een doorlopende controle kan uitvoeren op de ontvankelijkheid van de belangenbehartiger.4

3.5. Het middelenvereiste van artikel 3:305a lid 2 sub c BW gaat niet zo ver dat de rechter zelfstandig hoeft te onderzoeken of de financier voldoende kapitaalkrachtig en solvabel is, laat staan op een wijze die verder gaat dan een marginale toets, zoals X Corp c.s. stellen. De WAMCA vereist dit niet en het volgt evenmin uit de wetsgeschiedenis. X Corp c.s. hebben in dit verband gewezen op de Resolutie die het Europees Parlement in 2022 aannam en waarin de Europese Commissie werd verzocht om commerciële procesfinanciering door derden – ‘third-party litigation fundering’ – te reguleren.5 Een van de aanbevelingen is het reguleren van en het houden van toezicht op procesfinanciers, waarbij kapitaaltoereikendheid een van de minimumnormen is waaraan een procesfinancier zich moet verbinden. De Resolutie heeft echter (nog) niet geleid tot specifieke regelgeving. Het middelenvereiste beperkt zich (vooralsnog) tot de vraag of de belangenorganisatie beschikt of kan beschikken over voldoende middelen om de collectieve procedure te voeren.

3.23 Uit het voorgaande volgt dat SOMI (op dit moment) voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder c BW en daarmee aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid onder de WAMCA, en dat zij dus ontvankelijk is in haar collectieve vordering. Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke fase van de procedure. In die fase zal beoordeeld (kunnen) worden of aan alle ontvankelijkheidseisen van de AVG is voldaan.10