Advies CBP over gebruik camerabeelden van particulieren bij opsporing
Wetgevingsadvies CBP inzake wijziging van artikel 22 Wbp, 29 juni 2015 (bezwaar tegen voorstel).
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft advies gegeven over het wetsvoorstel dat regelt dat particulieren en bedrijven zelfstandig camerabeelden van een diefstal of vernieling op internet mogen publiceren. Het doel van het wetsvoorstel is om de opsporing van strafbare feiten te ondersteunen. Het CBP concludeert dat de regering niet duidelijk maakt waarom het voorgestelde middel noodzakelijk is voor de ondersteuning van de opsporing en het waarborgen van de veiligheid. Ook oordeelt het CBP dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door het publiceren van camerabeelden groot is en niet in verhouding staat tot het doel van het wetsvoorstel. Het advies is daarom om het voorstel niet in te dienen.
Tot nu toe is opsporing van verdachten van strafbare feiten een zaak van de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarbij gelden ook waarborgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit wetsvoorstel lijkt ertoe te leiden dat gebroken wordt met het uitgangspunt dat het primaat voor de opsporing ligt bij de politie en het OM. Het voorstel legaliseert in feite het plaatsen van camerabeelden door iedereen voor het opsporen van diefstal en vernieling. Mensen moeten daarbij volgens het voorstel zelf hun afweging maken, zonder een toets door de politie of het OM. De beelden hoeven niet vooraf aan de politie te worden getoond. Dit terwijl het plaatsen van de beelden op internet verstrekkende gevolgen kan hebben voor de mensen die op de beelden staan.
Noodzaak
Het CBP mist in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel de onderbouwing van de maatschappelijke noodzaak van het publiceren van de camerabeelden door particulieren in het kader van de opsporing. De regering verwijst in haar wetsvoorstel ter onderbouwing naar een ‘breed maatschappelijk gevoelde maatschappelijke behoefte’ aan veiligheid. Maar een analyse van de aard en de omvang van het probleem dat met dit wetsvoorstel zou worden opgelost, ontbreekt. Het voorstel biedt geen concrete aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de veiligheid hierdoor daadwerkelijk wordt verhoogd. Het voorstel laat in het midden of en wanneer de politie de geplaatste beelden zou moeten gebruiken bij de opsporingsactiviteiten.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Het wetsvoorstel kan zeer ingrijpende gevolgen hebben op de persoonlijke levenssfeer van mensen die staan op de camerabeelden van particulieren of bedrijven. Denk aan stigmatisering (eens op internet, altijd op internet) en het risico op represailles/eigenrichting. Bovendien kunnen onschuldige burgers ten onrechte als verdachte worden aangemerkt. Deze risico’s worden onvoldoende meegewogen in het wetsvoorstel. Verder meent het CBP dat het beoogde doel van opsporing ook bereikt kan worden met minder ingrijpende middelen. Bijvoorbeeld door de camerabeelden aan te leveren bij de politie. Hierdoor blijven de politie en het OM als eerste aan zet om te bepalen of de beelden openbaar moeten worden gemaakt en zullen de beelden daadwerkelijk onderdeel uitmaken van opsporingsactiviteiten.
Prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 25, tweede lid, van Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn)
Onrechtmatige publicatie. Proximedia is een leverancier van internetdiensten, websites, bedrijfsvideo's en online advertentiemarketing. VisualMedia ontwerpt en ontwikkelt websites en publiceert op haar website over de agressieve manier van benaderen en aansturen op direct tekenen van langlopende contracten door Proximedia. vond de publicatie voldoende steun in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. De voorzieningrechter is van oordeel dat VisualMedia voldoende aannemelijk maakt dat zij een rechtens te respecteren belang heeft bij haar publicatie en dat alleen het informeren van klanten, zoals Proximedia voorstaat, daaraan onvoldoende tegemoet komt. Vorderingen afgewezen.
Leverancier van computersysteem heeft mede onderhoud, beheer en service op zich genomen. Door crash gaan data verloren. Het hof acht de stellingen van Staalbouw omtrent de zorgplicht te algemeen van aard om haar te volgen; het is niet bewezen dat de overeenkomst inhield dat geïntimeerde zorg droeg voor een back-up van alle volledige bestanden van Staalbouw Purmerend. Ten aanzien van de back-up’s is slechts vast komen te staan dat [geïntimeerde] een dagelijkse back-up zou verzorgen en daarvoor ruimte op haar eigen server ter beschikking zou stellen. Het hof bekrachtigt het eerder afwijzend vonnis.
Databankenrecht. Klantgegevens. Samenwerking. Partijen waren ieder 50% aandeelhouder van The Happy Few voor de exploitatie van online warenhuis Flavourites store. De webshop Flavourites wordt vervangen door Knijter, dat wordt aangekondigd aan webshophouders en vanaf de start van de nieuwe webshop wordt aan klanten uit eerdere samenwerking een nieuwsbrief gestuurd. De database met klantgegevens wordt niet onrechtmatig gebruikt, omdat de rechten daarvan bij de gezamenlijk gevoerde BV The Happy Few liggen. Vorderingen worden afgewezen.
Beschikking ingezonden door Mark Egeler,
Arbitraal vonnis ingezonden door Heleen van Beugen,
Uit het
Misleidende handelspraktijk. Bijkoopgaranties. Het College acht bewezen dat winkelketen BCC een bestendige praktijk had om bij consumenten de indruk te wekken dat na het verstrijken van de fabrieksgarantietermijn altijd kosten moeten worden betaald in verband met de reparatie van een defect product. Die informatie is niet in alle gevallen juist, aangezien uit de bepalingen in het BW omtrent de consumentenkoop voortvloeit dat de koper recht heeft op kosteloos herstel of vervanging ingeval van non-conformiteit van het product. Het sanctiebesluit [
Privacy. Gedaagde is auteur van het boek met de titel “Rotterdamse Penoze” met als subtitel “over kruimeldieven en keiharde killers”. Just Publishers is de uitgever van dit boek. Eiseres heeft over de schietpartij een interview gegeven aan een journalist van de Nieuwe Revu. In de nieuwspublicatie wordt zij met haar voor- en achternaam vermeld. Gestelde inbreuk op persoonlijke levenssfeer (uitsluitend) door vermelding van volledige naam is niet aannemelijk en de gestelde onrechtmatigheid van de publicatie is daardoor evenmin aannemelijk.