DOSSIERS
Alle dossiers

Aanbesteding  

IT 950

De Staat heeft ruime beleidsvrijheid en is een aanbestedende dienst

Rechtbank 's-Gravenhage 14 november 2012, LJN BY3967 (Oracle tegen Staat der Nederlanden)

De Staat heeft als aanbestedende dienst een ruime beleidsvrijheid om de inhoud van de opdracht (uitvraag) en de reikwijdte daarvan te bepalen. De Staat moet voorts als één aanbestedende dienst worden aangemerkt; de afzonderlijke ministeries zijn geen zelfstandige aanbestedende diensten, enkel omdat zij in de praktijk als zodanig opereren. Het feit dat de afzonderlijke ministeries FIN en VWS hebben aangehaakt aan het SAP-systeem van SZW en met de inkoop van het SAP-systeem een (voor hen) geheel nieuw financieel-administratief systeem hebben verworven, leidt op zichzelf niet tot een schending van de aanbestedingsregels. Niet is gebleken dat door het inhuren van ICT-personeel voor het uitvoeren van de in de uitvraag beschreven werkzaamheden– in technisch opzicht – een geheel nieuw ICT-systeem ontstaat. De Staat heeft zich voorts – terecht – beroepen op de in artikel 23 lid 11 van het Bao opgenomen rechtvaardigingsgrond (noemen van bepaald merk of fabrikaat).

4.1. Vooropgesteld moet worden dat de Staat als aanbestedende dienst een ruime beleidsvrijheid heeft om te bepalen wat de inhoud van de aan te besteden opdracht (lees: de uitvraag) en de reikwijdte daarvan zijn. In die zin dient de (burgerlijke) rechter zich terughoudend op te stellen, teneinde te voorkomen dat hij - als het gaat om de keuze van de overheidsinkoop - "op de stoel van de Staat gaat zitten". (...)

4.3. Bij de beoordeling staat voorts voorop dat de Staat als één aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Anders dan Oracle betoogt, zijn de afzonderlijk ministeries geen zelfstandige aanbestedende diensten, enkel omdat zij in de praktijk als zodanig opereren. De Staat heeft in dit verband toegelicht dat het begrip "zelfstandige eenheid" binnen één aanbestedende dienst alleen betekenis heeft voor de manier waarop de opdrachten worden geraamd: opdrachten binnen één aanbestedende dienst moeten in beginsel bij elkaar worden opgeteld. De rechtbank overweegt dat in de Algemene Richtlijn 2004/18/EG en artikel 1 aanhef en onder r van het Bao, slechts de Staat als aanbestedende dienst wordt aangemerkt, en niet de afzonderlijke ministeries die met de uitvoering van taken en het beleid van de Staat zijn belast. Oracle heeft geen verdere argumenten aangevoerd op grond waarvan in dit geval een dergelijk onderscheid wél zou moeten worden gemaakt.

Perceel 1
4.6. Kern van het geschil tussen partijen op dit punt betreft de vraag of (a) de desbetreffende "verbouw" van het bestaande SAP-systeem van SZW in feite (qua omvang en kosten) neerkomt op het bouwen van een geheel nieuw ICT-systeem, dat functioneel en non-discriminatoir - zonder het noemen van SAP-vereisten - had moeten worden aanbesteed (standpunt Oracle), of dat (b) het slechts gaat om het inhuren van ICT-personeel dat nodig is voor het verbouwen of aanpassen van het bestaande SAP-systeem van SZW, waarbij op grond van artikel 23 lid 11 van het Bao in de technische specificaties melding mocht worden gemaakt van het merk SAP (standpunt de Staat).

4.12. Oracle heeft zich nog op het standpunt gesteld dat de Staat in strijd heeft gehandeld met artikel 23 van het Bao door in het Beschrijvend Document de eis te stellen dat het beoogde ICT-personeel expertise moet hebben met SAP-software. De Staat heeft in dit verband aangevoerd dat in Perceel 1 geen producten zijn uitgevraagd, maar ICT-diensten, zodat in dat perceel geen sprake is van het opnemen van "technische specificaties". De Staat heeft zich voorts - terecht - beroepen op de in artikel 23 lid 11 van het Bao opgenomen rechtvaardigingsgrond, waarin - kortweg - is bepaald dat de aanbestedende dienst geen melding maakt van een bepaald fabrikaat of verwijzing naar een merk, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd, tenzij dit door het voorwerp van de overheidsopdracht gerechtvaardigd wordt. Oracle heeft niet weersproken dat de gevraagde ervaring relevant is voor het uitvoeren van de desbetreffende implementatiewerkzaamheden. Die expertise is immers onontbeerlijk voor de verbouwing van het op SAP-software gebaseerde SZW-systeem. De rechtbank constateert dat Oracle ook hier (opnieuw) slechts stelt dat de Staat het voorwerp van de 3F-aanbesteding functioneel had moeten beschrijven. Zoals gezegd, deelt de rechtbank dit standpunt niet.

Perceel 2
4.13. Hetzelfde geldt voor de in Perceel 2 uitgevraagde "Levering, onderhoud en support van SAP licenties". De objectieve rechtvaardiging van het vragen naar SAP-licenties vloeit voort uit de afhankelijkheid van de Staat van SAP als leverancier van Sap Business Suite. Door de ingebruikneming van het "verbouwde" systeem ontstaat de behoefte aan de levering, onderhoud en support van (uitsluitend) SAP-licenties, omdat andere (merk)licenties onverenigbaar zijn met het SAP-softwaresysteem.

IT 948

Is een symbolische inschrijving geldig, of niet

Vzr. Rechtbank Groningen 12 oktober 2012, LJN BY3312 (Scholten Awater tegen Rijksuniversiteit Groningen/Bossers&Cnossen)

Met samenvatting door Natalie Kolthof en Leyla Bozkurt, Ploum Lodder Princen.

Aanbestedingsrecht. Europese openbare aanbestedingsprocedure. Offerte met symbolische prijzen. Succesvol Grossmann-verweer.

De RUG heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor de levering van werkplekapparatuur en aanverwante dienstverlening. In het bestek en de nota van inlichtingen heeft zij uitdrukkelijk opgenomen dat reëel en transparant ingeschreven moet worden. Een prijs van nul euro, negatieve prijzen, maar ook symbolische prijzen voor de diverse onderdelen acht de RUG niet reëel en transparant. Scholten Awater heeft ingeschreven op de aanbesteding waarbij ze voor onderdeel G1.1 een opslagpercentage van 0,1% heeft geoffreerd en voor ieder afzonderlijk onderdeel van G1.2 een prijs van € 0,01. De RUG oordeelt dat Scholten Awater symbolisch heeft ingeschreven en sluit haar uit van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure.

Awater betwist dat zij symbolische prijzen heeft aangeboden en stelt dat RUG onvoldoende transparant is geweest in de aanbestedingsdocumenten, nu zij ook na een verzoek daartoe, het begrip “symbolische prijzen” niet nader heeft gedefinieerd. De RUG voert hiertoe aan dat Awater haar recht heeft verwerkt om zich alsnog op vermeende onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure te beroepen nu zij na de nota van inlichtingen geen bezwaar heeft gemaakt en een inschrijving heeft uitgebracht. De voorzieningenrechter volgt deze redenering:

 

4.4 Weliswaar is gebleken dat Scholten Awater een vraag (58) heeft gesteld omtrent de betekenis van 'symbolische prijs', doch waar voor Scholten Awater zich kennelijk - gelet ook op de in het onderhavige kort geding aan de orde gestelde punten - nog steeds onduidelijkheden voordeden, ondanks de door de RUG gegeven antwoorden, had het op de weg van Scholten Awater gelegen in een eerder stadium, te weten vóór de inschrijving, nadere actie te ondernemen. Scholten Awater heeft echter na de eerste nota van inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. Evenmin is gesteld of gebleken dat Scholten Awater haar inschrijving onder protest en/of voorbehoud heeft gedaan.

4.5 Indien over de betekenis van 'symbolische prijs' (nog) onduidelijkheid bestond voor Scholten Awater had het in het licht van het vorenoverwogene op haar weg gelegen vóór de inschrijving nadere actie te ondernemen.

4.6 Onder deze omstandigheden heeft Scholten Awater naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar recht verwerkt om over de door haar aangevoerde punten ná inschrijving alsnog te klagen.

Ten overvloede, maar volledigheidshalve, merkt de rechter nog op dat Scholten Awater “gelet op het algemeen taalgebruik” een symbolische prijs heeft geoffreerd door in te schrijven met de laagst mogelijke prijs boven nul.

 

Tot slot gaat de rechter nog in op het verweer van Scholten Awater dat RUG op grond van artikel 56 BAO (abnormaal lage inschrijving) de plicht had om het een en ander te verifiëren bij Scholten Awater. Aangezien niet aan de orde is of Scholten Awater de opdracht zou uitvoeren voor het geoffreerde bedrag –dit zou zij doen gelet op de toelichting bij haar inschrijving– en dit juist de strekking is van artikel 56 BAO, oordeelt de recht dat dit verweer niet opgaat. De rechter wijst de vorderingen van Scholten Awater af.

Deze uitspraak bevestigt de trend die met de Grossmann-uitspraak is gestart: een inschrijver dient pro-actief te handelen in een zo vroeg mogelijk stadium van de aanbesteding en dient dit gedurende de procedure ook te blijven doen. Dit houdt in dat indien een marktpartij niet kan instemmen met bepaalde eisen in het bestek, zij hierover vragen dient te stellen voor de nota van inlichtingen. Indien de aanbestedende dienst in de nota van inlichtingen bij haar standpunt blijft, wordt van de marktpartij verwacht bezwaar te maken bij de aanbestedende dienst nog voordat zij een inschrijving uitbrengt. Dit bezwaar kan worden geuit door aanvullende vragen te stellen, nadere bezwaren aan te voeren of een kort geding aanhangig te maken. Indien zij dit niet doet, maar een inschrijving uitbrengt en na uitsluiting pas middels een kort geding bezwaar maakt, heeft zij haar recht verwerkt om op het betreffende geschilpunt een beroep te doen. Voor Scholten Awater is dit inmiddels een harde les geweest.

IT 939

Adequate verzekering voor minimaalbedrag van een miljoen

Vzr. Rechtbank Utrecht 16 november 2012, LJN BY3469 (IV-Water tegen Waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden / Tauw B.V.)

Purification

Europese openbare aanbestedingsprocedure ten behoeve van het sluiten van een raamovereenkomst voor technische adviesdiensten in verband met waterzuivering. Ongeldigverklaring inschrijving wegens het niet voldoen aan een geschiktheidseis, inhoudende dat de inschrijver voor een bedrag van minimaal € 1 miljoen verzekerd dient te zijn tegen de risico’s zoals genoemd in artikel 26.1 van de AWVODI-2010. Een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver had deze geschiktheidseis aldus kunnen begrijpen, dat de inschrijver voor een bedrag van minimaal € 1 miljoen verzekerd dient te zijn tegen elk van de in artikel 26.1 AWVODI-2010 genoemde risico’s en dat hiermee niet een totale dekking van minimaal € 1 miljoen voor deze risico’s wordt bedoeld. De wijziging in de Nota van Inlichtingen van het in het Beschrijvend document bekendgemaakte gunningscriterium is toegestaan, nu dit vóór het verstrijken van de termijn van inschrijving is gebeurd en deze wijziging tijdig aan alle potentiële inschrijvers bekend is gemaakt via ProjectNed, zodat zij hun inschrijving hierop hebben kunnen aanpassen.

2.4.  De aanbesteding, inclusief alle correspondentie en uitwisseling van informatie, heeft plaatsgevonden via de website van ProjectNed. Op 2 juli 2012 is het Beschrijvend document beschikbaar gesteld, waarin onder andere eisen zijn gesteld aan de geschiktheid van de inschrijver en - meer in het bijzonder - ten aanzien van de wijze waarop die inschrijver moet zijn verzekerd. Hierover is in paragraaf 5.3.3. het volgende bepaald:

“5.3.3 Verzekering
De inschrijver dient voor een bedrag van minimaal € 1 miljoen verzekerd te zijn tegen de risico’s, zoals genoemd in artikel 26 van de AWVODI-2010. Inschrijver dient hiertoe een bewijs te overleggen in de vorm van een kopie van een geldige verzekeringspolis of een verklaring van de verzekeringsmaatschappij.”

2.5.  De AWVODI-2010 bepaalt in artikel 26, eerste lid:
“26.   Verzekering
26.1.  Opdrachtnemer heeft zich adequaat verzekerd en zal zich adequaat verzekerd houden voor de navolgende risico’s:
a. beroepsaansprakelijkheid (risico’s die voortvloeien uit Beroepsfouten);
b. bedrijfsaansprakelijkheid (waaronder aansprakelijkheid voor schade toegebracht aan personen of zaken die eigendom zijn van Opdrachtgever);
c. verlies van en schade aan bedrijfsinventaris (waaronder door brand en diefstal), inclusief de zaken die eigendom zijn van Opdrachtgever.”

2.9.  HDSR heeft IV-Water op 4 oktober 2012 schriftelijk bericht dat haar bieding ongeldig is en dat zij wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding. HDSR heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat IV-Water niet voldoet aan het bepaalde in paragraaf 5.3.3. van het Beschrijvend document (hierna: de verzekeringseis), omdat zij voor beroepsaansprakelijkheid slechts is verzekerd tot een bedrag van € 680.670,32 in plaats van € 1 miljoen.

4.4.  De voorzieningenrechter deelt het standpunt van HDSR dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de verzekeringseis aldus had kunnen begrijpen, dat de inschrijver voor een bedrag van minimaal

€ 1 miljoen verzekerd dient te zijn tegen elk van de in artikel 26.1 AWVODI-2010 genoemde risico’s. Daarbij is niet alleen de taalkundige uitleg van de verzekeringseis van betekenis, zoals gegeven door de Taaladviesdienst, maar dient deze eis te worden gelezen in het licht van het gehele Beschrijvend document en de daarbij behorende bijlagen en komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van die bepaling.

4.5.  In dit geval is van belang dat het hier gaat om een opdracht voor het uitvoeren van technische adviesdiensten in verband met waterzuivering. HDSR heeft ter zitting gesteld dat uit de aard van de opdracht volgt dat een verkeerd advies enorme consequenties kan hebben en tot hoge schade kan leiden. Dit is door IV-Water niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop is de uitleg die HDSR aan de verzekeringseis geeft, logisch. De door IV-Water voorgestane uitleg zou tot het ongerijmde en ongewenste resultaat kunnen leiden dat de beroepsaansprakelijkheid minimaal verzekerd kan zijn, mits de verzekerde som voor alle risico’s maar in totaal € 1 miljoen bedraagt. IV-Water heeft weliswaar gesteld dat er in artikel 26.1 AWVODI-2010 per risico een ondergrens wordt genoemd, namelijk dat er sprake dient te zijn van een adequate verzekering, maar deze term is zonder nadere invulling te vaag om de inschrijvers enig houvast te bieden bij de beoordeling of hun beroepsaansprakelijkheidsverzekering voldoende dekking biedt. Nu in de door HDSR gegeven uitleg de term adequate verzekering wel nader wordt ingevuld, namelijk een verzekering met een dekking van € 1 miljoen per risico, dient deze uitleg als het meest voor de hand liggend te worden beschouwd.

IT 924

Klachtenregeling aanbesteden consultatieversie

KLACHTENREGELING AANBESTEDEN Consultatieversie, Bijlage bij kamerstukken II 2011-2012, 32 440, nr. 81.

Uit de consultatie (2009) van het wetsvoorstel Aanbestedingswet 20.. bleek dat de meningen van partijen uiteen lopen als het gaat om klachtenafhandeling. Belanghebbenden werd toen gevraagd hoe zij tegen een centraal klachtenloket bij aanbesteden voor en door ondernemers aankeken. Aanbestedende diensten reageerden terughoudend. Zij zagen meer in een interne klachtenprocedure binnen de aanbestedingsprocedure. Sommigen zagen echter wel toegevoegde waarde, daar waar het kan bijdragen aan een verbetering van de professionaliteit van beide kanten. Ondernemers konden zich over het algemeen vinden in de oprichting van een centraal klachtenloket mits de bestaande branche initiatieven hun werk kunnen blijven doen.

Deel 1: Standaard klachtenregeling voor aanbestedende diensten
Deel 2: Commissie van Aanbestedingsexperts

Waarom een standaard klachtenregeling?
De standaard klachtenregeling biedt aanbestedende diensten en ondernemers bij aanbestedingen een kader voor de afhandeling van klachten met als doel om te bevorderen dat klachten snel en laagdrempelig worden afgehandeld.

 

 

Toepassing van de klachtenregeling zal tot gevolg hebben dat klachten die in onderling overleg opgelost kunnen worden, niet nodeloos aan de rechter worden voorgelegd. Misverstanden, onbedoelde fouten en ten onrechte gestelde eisen in de aanbesteding kunnen worden hersteld zonder dat zaken escaleren. Ondernemers voelen zich gehoord en hun klacht wordt geadresseerd zonder dat ze naar rechtsmiddelen hoeven grijpen. Dat is een win-win situatie voor alle betrokken partijen. Ook als een klacht niet leidt tot correctie kan de snelle en laagdrempelige afhandeling van klachten nuttig zijn. Zowel aanbestedende diensten als ondernemers kunnen daarvan leren en deze kennis bij toekomstige aanbestedingen in de praktijk brengen. Zo kan het toepassen van de uniforme standaard klachtenregeling bijdragen aan verdere professionalisering van aanbestedende diensten en ondernemers.

Andersom kan een aanbestedende dienst in een aanbesteding ook klachten hebben over een ondernemer, bijvoorbeeld over zijn gedrag. De aanbestedende dienst moet dan de mogelijkheid krijgen om deze klacht aan de orde te stellen bij de ondernemer.

Paragraaf II en III behandelen de situatie dat een ondernemer wil klagen bij een aanbestedende dienst. Paragraaf IV beschrijft de situatie dat een aanbestedende dienst een klacht over een ondernemer aan de orde wil stellen bij die ondernemer.

Deel 2: Commissie van Aanbestedingsexperts
1. Inleiding

De Commissie van Aanbestedingsexperts kan bijdragen aan een snelle, zorgvuldige en laagdrempelige afhandeling van klachten. Op verzoek van een ondernemer of een aanbestedende dienst kan de commissie bemiddelen en advies geven over de klacht. De Commissie van Aanbestedingsexperts is een onafhankelijke commissie, waarin experts zitting hebben die hun sporen in de aanbestedingspraktijk hebben verdiend. De experts moeten in staat zijn om goed onderbouwde, evenwichtige en bruikbare adviezen te geven aan ondernemers en aanbestedende diensten. De uitkomst is zwaarwegend en kan door de aanbestedende dienst niet zomaar naast zich worden neergelegd.

Het kader waarbinnen de Commissie van Aanbestedingsexperts werkt wordt mede bepaald door de beperking dat het inschakelen van de Commissie geen extra rechtsgang is en dat een advies van de Commissie niet bindend is. De Commissie heeft niet de bevoegdheid om een aanbestedingsprocedure stil te leggen.

IT 921

Wetsvoorstel Aanbestedingswet 20.. aangenomen

Aanbestedingswet 20., kamerstukken I, 32 440. - dossier.

30 oktober 2012 De Eerste Kamer heeft vandaag het wetsvoorstel Aanbestedingswet 20.. (32.440) na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. PVV, VVD, PvdA, CDA, ChristenUnie, SGP, GroenLinks, D66, OSF en 50PLUS stemden voor.

Dit wetsvoorstel vervangt de huidige Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen. Met dit voorstel wil het kabinet een duidelijk en eenvormig wettelijk kader bieden voor het aanbesteden van overheidsopdrachten voor het uitvoeren van werken, het leveren van producten en het verrichten van diensten. De nieuwe Aanbestedingswet geldt voor alle overheidsopdrachten (onder en boven de Europese grens).

Met dit voorstel worden minder en helderdere regels gesteld waardoor ook kleinere ondernemers een eerlijke kans krijgen op overheidsopdrachten. Hiermee wordt de totstandkoming van optimale concurrentie bevorderd, de lasten van het aanbesteden verminderd, de aanbestedingspraktijk waar nodig geuniformeeerd en de klachtenafhandeling vereenvoudigd. Het bieden van maatwerk is mogelijk.

IT 895

Inschrijving voor aanbesteding vereist een 'natte' handtekening.

Rechtbank 's-Gravenhage 21 september 2012, LJN BX8645 (de vennootschap onder firma V.O.F. Rommelse Communicatieadvies tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Agentschap NL)

Aanbesteding ten aanzien van uitvoering van communicatiediensten. Inschrijving voor een aanbesteding is ongeldig omdat één van de twee vennoten van eiseres en ondertekenaar van alle aanmeldingsdocumenten, [A.], hiertoe niet bevoegd was, en er is daarnaast niet voldaan aan de eis inzake een ‘natte’ handtekening.

2.2. Daartoe voert eiseres onder meer het volgende aan. Gedaagde handelt in strijd met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie. Er is geen openheid van zaken gegeven over de (sub)selectiecriteria en de wegingsfactoren. Hierdoor is er geen sprake van een gelijk speelveld voor de gegadigden. Er zijn in ieder geval te weinig punten toegekend aan eiseres voor het subselectiecriterium "gelijksoortige doelgroep" inzake de referentiegegevens.

3.5. Nu de inschrijving van eiseres op goede gronden ongeldig is verklaard, moet die inschrijving worden beschouwd als niet-gedaan, zodat zij geen deel (meer) uitmaakt van de aanbestedingsprocedure. Onder die omstandigheid heeft eiseres geen belang bij haar vorderingen. Haar overige stellingen dienaangaande kunnen dan ook verder onbesproken blijven.

IT 871

Kern van ITenRecht, actualiteitenbijeenkomst: UsedSoft, IT-aanbestedingsrecht en cookiewet

Holiday Inn, Amsterdam, donderdag 18 oktober van 12.00 tot 15.15 uur.

Tijdens deze bijeenkomst zullen drie sprekers, Polo van der Putt, Walter van Holst en Wouter Seinen, belangrijke jurisprudentie en actualiteiten de revue laten passeren.

Aan bod komen de het HvJ EU-arrest UsedSoft, relevante ontwikkelingen in de IT-aanbestedingsjurisprudentie, de stand van zaken in de praktijk, best practices en wet- en regelgeving in het aanbestedingsrecht en privacy, waaronder de cookiewet.

In 3 uur bent u volledig op de hoogte over de actuele ontwikkelingen in de IT-rechtspraak en IT-aanbestedingsrecht.

Kosten
Deelname € 325,- per persoon (excl. BTW).
Sponsors van onze communities betalen €285 (excl. BTW)

Hier aanmelden

IT 870

EU niet-openbare aanbesteding OM

Vzr. Rechtsbank 's-Gravenhage 13 september 2012, LJN BX7357 (Accenture tegen ministerie van Veiligheid en Justitie/OM) tussengekomen: Capgemini

Europese niet-openbare aanbesteding voor een opdracht op het gebied van ICT-dienstverlening, onder de naam "Sourcing Applicatie Beheer OM". Na de sluitingstermijn voor het indienen van de inschrijvingen (3 mei 2012) heeft de aanbestedende dienst (het Openbaar Ministerie) aan alle inschrijvers laten weten dat de planning voor Sourcing Applicatie Beheer met twee maanden wordt opgeschort en de inschrijvers in de gelegenhed gesteld hun inschrijving aan te passen.

Uitgangspunt is dat een aanbestedende dienst bij de beoordeling van inschrijvingen moet uitgaan van de inschrijvingen zoals die bij het sluiten van de inschrijvingstermijn zijn ontvangen. De bij aanbestedingen in acht te nemen fundamentele beginselen van gelijke behandeling en transparantie verzetten zich in beginsel tegen de mogelijkheid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. Ingevolge vaste jurisprudentie kan in uitzonderlijke gevallen een uitzondering op dit uitgangspunt worden gemaakt.

Zulke uitzonderingssituaties doen zich in de onderhavige aanbesteding niet voor. Het OM had de brief van 13 juni 2012 niet mogen laten uitgaan, voor zover de inschrijvers daarin de mogelijkheid wordt geboden hun inschrijvingen te wijzigen c.q. aan te passen. De enige uitkomst die recht doet aan de beginselen van gelijke behandeling en transparantie kan zijn dat de brief van het OM van 13 juni 2012 en de reacties daarop van de inschrijvers buiten beschouwing moeten blijven en dat de (voorlopige) gunningsbeslissing uitsluitend wordt gebaseerd op de inschrijvingen zoals die op 3 mei 2012 bij het OM waren binnengekomen.

5.5. In de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de enige uitkomst die recht doet aan de beginselen van gelijke behandeling en transparantie kan zijn dat de brief van het OM van 13 juni 2012 en de reacties daarop van de inschrijvers buiten beschouwing moeten blijven en dat de (voorlopige) gunningsbeslissing uitsluitend wordt gebaseerd op de inschrijvingen zoals die op 3 mei 2012 bij het OM waren binnengekomen. Niet in geschil is dat Capgemini dan als winnaar uit de bus komt. Hoewel het Accenture kan worden toegegeven dat het het OM niet vrij stond de nieuwe prijs van Accenture zelfstandig aan te passen nadat het Accenture (kennelijk) had toegestaan een nieuwe prijs op te geven, is dit bij deze stand van zaken niet meer relevant.

Voor de goede orde wordt in dit verband nog opgemerkt, dat een bevel tot heraanbesteding niet aan de orde kan komen. Dat brengt immers mee dat het OM (een) wezenlijke wijziging(en) moet aanbrengen in de specificaties van de opdracht. Niet kan worden aangenomen dat het OM dat beoogt, terwijl het verschuiven van de ingangsdatum van de opdracht in de hier aan de orde zijnde omstandigheden niet als een wezenlijke wijziging van de opdracht kan worden beschouwd.


5.6. Met betrekking tot het subsidiaire bezwaar van Accenture, dat de (uitkomst van de) gunningssystematiek ondeugdelijk is, hebben zowel de Staat als Capgemini aangevoerd dat Accenture daarmee te laat is. Dat verweer treft reeds doel om de volgende redenen.


5.7. Vaststaat dat de door Accenture bestreden gunningssystematiek vorm heeft gekregen in de Nota's van Inlichtingen. Onder 4.3.2 vermeldt de Offerteaanvraag: "Indien u van mening bent dat de reactie van het OM in de Nota van Inlichtingen niet correct is dan dient u dit onverwijld (doch vóór de sluitingstermijn) te melden (...) en desgewenst terstond een kortgeding procedure aan te spannen (...), zulks op straffe van verval van rechten". Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat sprake is van een vervaltermijn, in die zin dat een bezwaar van een potentiële inschrijver tegen een reactie c.q. uitlating van het OM in een Nota van Inlichtingen onverwijld, doch in ieder geval vóór de sluitingstermijn, moet worden gemeld aan het OM en dat desgewenst terstond, maar in ieder geval vóór de sluitingstermijn, een kort gedingprocedure wordt aangespannen. Gesteld noch gebleken is dat Accenture dat heeft gedaan. Accenture kan zich niet verschuilen achter een (kritische) vraag van een derde. Indien die vraag niet leidt tot een andere - haar welgezinde - gunningssystematiek, had het hoe dan ook op haar weg gelegen om vóór de sluiting van de inschrijftermijn een kort gedingprocedure aanhangig te maken. Als behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettend inschrijver heeft Accenture dat ook moeten (kunnen) begrijpen. Niet valt in te zien dat die bepaling op een andere wijze zou kunnen worden uitgelegd. Daar komt bij dat Accenture door in te schrijven op de aanbesteding heeft ingestemd met de vervaltermijn, waarmee een contractueel overeengekomen vervaltermijn tot stand is gekomen, waaraan Accenture in beginsel is gebonden. De stelling van Accenture dat zij op zichzelf geen bezwaar heeft tegen de gunningssystematiek, maar alleen tegen de in haar ogen onterechte uitkomst waartoe deze kan leiden, doet - wat daar verder ook van zij - aan het voorgaande niet af. Tot de conclusie dat de gunningssystematiek tot een dergelijke uitkomst zou kunnen leiden had Accenture ook kunnen komen voordat zij haar inschrijving indiende.

IT 860

Aanbesteding landelijk crisismanagementsysteem

Vzr. Rechtbank 's-Gravenhage 5 september 2012, LJN BX6664 (Capgemini tegen NIFV en MultiOperations)

Uitspraak ingezonden door Jeroen Koëter en Christian van Seeters, Project Moore.

Aanbesteding landelijk crisismanagementsysteem (lcms). Aanbesteding, die in 2010 is georganiseerd door het NIFV, is gewonnen door en gegund aan Capgemini c.s. Het NIFV heeft op 31 januari 2012 besloten definitief geen acceptatie te verlenen aan de oplevering van LCMS 2.0 en de overeenkomsten met Capgemini c.s. met onmiddellijke ingang beïndigd. Op 8 juni 2012 heeft NIFV een aankondiging van een gegunde opdracht verzonden. De opdracht betreft een overbruggingsopdracht tot het beschikbaar stellen van een Landelijk Crisis Management Systeem. De opdracht is gegund aan MultiOperations. Capgemini c.s. vorderen (onder meer) - het NIFV te gebieden de gesloten overeenkomst tussen NIFV en Capgemini na te komen, en - het NIFV en MultiOperations te verbieden de overeenkomst zoals in de aankondiging beschreven is ten uitvoer te leggen. Voor een beslissing op de vorderingen is in de eerste plaats van belang de beantwoording van de vraag of de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. gerechtvaardigd was.

De voorzieningenrechter oordeelt dat in deze procedure voorshands van de rechtmatigheid van de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. moet worden uitgegaan. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het NIFV op grond van artikel 31 lid 1 sub c van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) gerechtigd was een overeenkomst met MultiOperations aan te gaan op basis van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking. Hierbij heeft als maatstaf te gelden dat aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten het bestaan van een onvoorziene gebeurtenis, het bestaan van dwingende spoed die onverenigbaar is met de inachtneming van de bij voormelde procedure behorende termijnen, alsmede het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende dwingende spoed. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat is voldaan aan genoemde maatstaf en dat het NIFV dus gerechtigd was een overeenkomst aan te gaan met MultiOperations om tijdelijk een lcms te verzorgen. Vorderingen van Capgemini c.s. afgewezen.

3.4. Capgemini c.s. hebben nog naar voren gebracht dat tijdens een gesprek op 31 januari 2012 door het NIFV is besloten de overeenkomsten te continueren in plaats van te ontbinden en dat er toen ook diverse meeropdrachten zijn verstrekt. Dit is door het NIFV gemotiveerd betwist. Wat er ook zij van de status van dit gesprek, gesteld noch gebleken is dat het NIFV hierin heeft aangegeven dat de tekortkoming niet meer behoefde te worden hersteld. Derhalve kan niet gezegd worden dat door dit gesprek van verzuim geen sprake meer was en dat de overeenkomsten hierdoor niet meer zouden kunnen worden ontbonden.

3.5. Het voorgaande leidt ertoe dat in deze procedure voorshands van de rechtmatigheid van de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. moet worden uitgegaan. Dit leidt ertoe dat de primaire vordering als vermeld onder IV. niet toewijsbaar is.

De procedure op grond van artikel 31 lid 1 sub c Bao

3.6. Het vorenstaande in aanmerking nemende, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of het NIFV op grond van artikel 31 lid 1 sub c van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) gerechtigd was een overeenkomst met MultiOperations aan te gaan op basis van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking. Hierbij heeft als maatstaf te gelden dat aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten het bestaan van een onvoorziene gebeurtenis, het bestaan van dwingende spoed die onverenigbaar is met de inachtneming van de bij voormelde procedure behorende termijnen, alsmede het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende dwingende spoed. De aanbestedende dienst dient het bestaan van deze voorwaarden aan te tonen. Daarnaast geldt dat de omstandigheden waarop ter rechtvaardiging van de dwingende spoed een beroep wordt gedaan, in geen geval aan de aanbestedende dienst te wijten mogen zijn. Het NIFV heeft in zijn aankondiging het bestaan van de voorwaarden nader gemotiveerd als hiervoor onder 1.12. van de feiten nader vermeld. Capgemini c.s. zijn van mening dat aan geen van de voorwaarden is voldaan.

3.8. De dwingende spoed hangt volgens het NIFV samen met de ontbinding. Zij heeft in dit verband gesteld dat zij door de ontbinding niet op korte termijn kon beschikken over een lcms, terwijl het wel van groot belang is dat er wordt gewerkt met een landelijk dekkend systeem hetgeen thans niet het geval is. 20 van de 25 regio's werken thans met het systeem van MultiOperations maar de overige regio's hanteren een ander systeem. De uitwisseling van informatie tussen deze systemen is beperkt en dat kan ernstige gevolgen hebben. Dit is ook gebleken tijdens de brand in Moerdijk in januari 2011. De overeenkomst met Capgemini c.s. moest op korte termijn zorgen voor een dergelijk landelijk dekkend systeem, maar dat is niet gelukt. Er diende derhalve met spoed een tijdelijke oplossing te worden gevonden. De betwisting van Capgemini c.s. houdt, kort gezegd, in dat er thans al jaren wordt gewerkt aan een lcms en dat dus niet valt in te zien dat er geen aanbestedingsprocedure, en al helemaal dat er geen versnelde procedure met verkorting van de termijnen, had kunnen plaatsvinden. Bovendien is er een alternatief, omdat niets eraan in de weg staat het systeem van Capgemini c.s., dat thans geschikt is voor landelijke implementatie, te accepteren, aldus Capgemini c.s. De voorzieningenrechter gaat aan deze betwisting voorbij. De rechtmatigheid van de ontbinding van de overeenkomsten met Capgemini c.s. dient als uitgangspunt te worden genomen zodat het door Capgemini c.s. genoemde alternatief niet reëel is. NIFV heeft voorts naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat de huidige situatie risicovol is en dat het van groot belang is dat alle regio's op korte termijn hetzelfde systeem hanteren. Het feit dat door de vertraging in de implementatie van het door Capgemini c.s. te leveren lcms er thans reeds een aanzienlijke periode zonder landelijk dekkend systeem wordt gewerkt, maakt niet dat de dwingende spoed daardoor thans ontbreekt. Daar komt bij dat het NIFV onbetwist heeft gesteld dat er ook een tijdelijke oplossing had moeten komen als de overeenkomst met Capgemini c.s. niet ontbonden was. De uitrol van hun systeem zou immers minimaal negen maanden in beslag nemen. Nu MultiOperations thans reeds het systeem van 20 van de 25 regio's verzorgt, acht de voorzieningenrechter het alleszins reëel dat het NIFV haar met spoed heeft ingeschakeld om voor een beperkte tijd alle regio's van hetzelfde systeem te voorzien. Dit lijkt de enige oplossing om op korte termijn tijdelijk een landelijk dekkend systeem te krijgen. Aannemelijk is immers dat iedere andere inschrijver voor de uitrol van een landelijk dekkend systeem ongeveer een jaar nodig zou hebben. Het oorzakelijk verband tussen de ontbinding van de overeenkomst van NIFV met Capgemini c.s. en de dwingende spoed is met het vorenstaande ook gegeven.

3.9. Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheden waarop ter rechtvaardiging van de dwingende spoed een beroep wordt gedaan niet aan het NIFV te wijten zijn, zoals NIFV ook heeft gemotiveerd. Ook bij de betwisting van deze voorwaarde wijzen Capgemini c.s. er op dat de ontbinding niet gerechtvaardigd was, maar hieraan wordt zoals voormeld voorbij gegaan. Daarnaast is weliswaar aannemelijk geworden dat het project in de loop der tijd is uitgebreid maar dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met zich dat de ontbinding van de overeenkomst en de omstandigheid dat thans met spoed een tijdelijke oplossing moet worden gevonden aan het NIFV te wijten is, zoals Capgemini c.s. stellen.

3.10. Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de onder 3.6. genoemde maatstaf en dat het NIFV dus gerechtigd was op grond van artikel 31, eerste lid sub c, Bao een overeenkomst aan te gaan met MultiOperations om tijdelijk een lcms te verzorgen. Dat leidt ertoe dat ook de overige vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn.

IT 808

Wijzigen fout in bestek aanbesteding aan banden

HvJ EU 10 mei 2012, C-368/10 (Max Havelaar).

De Max Havelaar-uitspraak van het Europese Hof heeft veel aandacht gehad. Meestal in de sleutel van technische eisen. Het arrest is echter ook van belang in verband met de mogelijkheid van het wijzigen van het bestek. In Nederland hebben aanbestedende diensten er een handje van om het bestek te wijzigen in de Nota van Inlichtingen, getriggered door vragen van gegadigden. Daar is nu paal en perk aan gesteld. Met dank aan Polo van der Putt, Vondst Advocaten.

In het bestek stond een niet-geldige eis, namelijk de eis van Max Haverlaar-keurmerk, zonder dat daarbij werd vermeld "of een keurmerk dat is gebaseerd op de volgende uitgangspunten [...]" o.i.d.

In de Nota van Inlichtingen probeerde de aanbestedende dienst dat recht te zetten. De vraag was of dit viel binnen de reikwijdte van artikel 39 lid 2 van richtlijn 2004/18:

„Nadere inlichtingen over het bestek en de aanvullende stukken worden, mits tijdig aangevraagd, uiterlijk zes dagen voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen door de aanbestedende diensten of de bevoegde diensten verstrekt.”

Het Hof oordeelt:

"Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, kunnen met de in die bepaling bedoelde nadere inlichtingen over het bestek en de aanvullende stukken weliswaar bepaalde verduidelijkingen worden aangebracht en inlichtingen worden verstrekt, maar kan langs deze weg niet – zij het ook door correcties – de betekenis worden gewijzigd van de belangrijkste voorwaarden van de opdracht – waaronder de technische specificaties en de gunningscriteria – zoals die in het bestek zijn geformuleerd en waarop de belanghebbende marktdeelnemers zich rechtmatig hebben gebaseerd voor hun beslissing, een offerte voor te bereiden of juist van deelneming aan de betrokken aanbestedingsprocedure af te zien. Dat blijkt zowel uit het feit dat voormeld artikel 39, lid 2, de woorden „nadere inlichtingen” gebruikt als uit de korte termijn – zes dagen – die volgens die bepaling mag liggen tussen de mededeling van bedoelde nadere inlichtingen en de uiterste datum voor indiening van offertes."

Kortom, de Nota van Inlichtingen mag worden gebruikt om e.e.a. toe te lichten, maar niet om de belangrijkste voorwaarden, waaronder de technische eisen en de gunningscriteria, te wijzigigen c.q. te corrigeren.

Voor de pdf versie van het arrest klik hier.