Recht om vergeten te worden is niet absoluut
Bijdrage ingezonden door Filip van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte advocaten. In 2010 diende de Spanjaard Maria Costeja Gonzalez een klacht in tegen een Spaanse krant, Google Spanje en Google Inc bij de Spaanse autoriteit voor bescherming van persoonsgegevens (AEPD) [IT 1507]. De man klaagde dat een aankondiging van openbare executie van zijn huis in de zoekresultaten van Google inbreuk maakte op zijn privacy, omdat zijn financiële debacle allang was opgelost en dus de verwijzing naar die openbare veiling niet meer relevant was. Hij verzocht daarom dat de krant de gegevens zou verwijderen en dat Google Spanje of Google Inc zijn persoonsgegevens uit de Google databank zou verwijderen, zodat die niet meer zouden verschijnen in de zoekresultaten.
De Spaanse rechter verwees de zaak naar het Europese Hof van Justitie (EHvJ) en vroeg:
( a) of EU-richtlijn uit 1995 betreffende gegevensbescherming van toepassing is op zoekmachines zoals Google;
( b ) of de EU-wetgeving van toepassing was op Google Spanje, aangezien de verwerking van persoonsgegevens feitelijk plaatsvindt in de Verenigde Staten;
( c ) of een individu het recht heeft te verzoeken dat zijn of haar persoonlijke gegevens worden verwijderd uit een zoekmachine (het recht om te worden vergeten' - 'right to be forgotten').
In zijn arrest van 13 mei 20141 oordeelde dat het EHvJ kort gezegd:
a) qua territorialiteit van de EU-regels : zelfs als de fysieke server van een bedrijf dat persoonsgegevens verwerkt, buiten Europa staat, zijn de EU-regels van toepassing op dat bedrijf als het een filiaal of een dochteronderneming heeft in een lidstaat van de EU;
b) qua toepasselijkheid van de EU-privacyregels op zoekmachines: zoekmachines zijn verwerkers van persoonsgegevens. Google kan daarom haar verantwoordelijkheid niet ontlopen. EU -privacywetgeving is van toepassing en dus ook het recht om te worden vergeten.
c ) qua het 'recht om vergeten te worden': Individuen hebben - onder bepaalde voorwaarden - het recht om zoekmachines te vragen om de banden met persoonlijke informatie over hen te verwijderen . Dit geldt wanneer de informatie onjuist, ontoereikend, irrelevant of overmatig is voor de doeleinden van de gegevensverwerking (r.o. 93 van het arrest) .
Het EHvJ vond in dit specifieke geval dat de inbreuk op het recht op privacy van Gonzalez niet reeds kon worden gerechtvaardigd door het economisch belang van de zoekmachine/Google. Tegelijkertijd heeft het EHvJ expliciet verduidelijkt dat het recht om te worden vergeten niet absoluut is, maar altijd moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en van de media (r.o. 85 van de arrest). Een beoordeling per geval is dus nodig waarbij dienen te worden afgewogen de aard van de informatie in kwestie, de gevoeligheid voor de persoonlijke levenssfeer en het belang van het publiek in het hebben van toegang tot die informatie. De rol die de verzoeker in het openbare leven speelt, kan daarbij ook van belang zijn.
Filip van Eeckhoutte
Persoonsgegevens. Gedragscode. Eiseres is verwikkeld in een alimentatieprocedure met haar ex-echtgenoot, deze heeft Sûreté de opdracht gegeven aan te tonen dat eiseres werkzaamheden verricht in de escortbranche. Sûreté heeft hiervoor een pseudoklant ingezet, die een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd en op grond waarvan een rapport is opgemaakt. Dit rapport is door Sûreté aan de ex-echtgenoot verstrekt en ingebracht in de alimentatieprocedure. Sûreté heeft onrechtmatig gehandeld door te handelen in strijd met de gedragscode. Sûreté heeft tevens gehandeld in strijd met artikel 11 en artikel 34 van de WBP, respectievelijk door meer gegevens te verwerken dan noodzakelijk en door eiseres niet te informeren dat haar persoonsgegevens werden verwerkt.
Privégegevens. Ontslag. Eiser is in dienst bij Adata. Een collega van eiser had melding gemaakt van door hem en eiser gevoerde communicatie via whatsapp. Dit gaf voor Adata voldoende aanleiding om nader onderzoek te doen naar de inhoud van de laptop die afkomstig was van eiser. De kantonrechter is van oordeel dat dit onderzoek proportioneel plaatsvond en de in die laptop gevonden berichten vormen daarom rechtmatig verkregen bewijs. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door Adata overgelegde berichten niet van hem afkomstig zijn. Die berichten (grovelijk uitschelden leidinggevende) vormen naar in kort geding moet worden aangenomen een dringende reden.
Wet bescherming persoonsgegevens. Inzage medisch rapport. Medirisk beschikt over stukken waarvan appellant de inzage wenst. Medirisk beroept zich op de uitzondering van artikel 2 sub a van de Wbp dan wel artikel 43 sub e van de Wbp en is van mening dat het hier gegevens betreft die zij niet aan appellant hoeft te verstrekken. In het
Geheimhouding. [geïntimeerde] is krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest voor BAS en was/is verplicht tot geheimhouding. Voorts is [geïntimeerde] in dienst getreden bij de stichting Stichting Hou Vast Zorg. Volgens BAS heeft [geïntimeerde] vier maal e-mailcorrespondentie van hemzelf doorgestuurd aan de leidinggevende bij Hou Vast Zorg, hetgeen in strijd is met de geheimhoudingsplicht. Het feit dat de e-mailberichten niet tijdens, maar aan het eind van en/of na het dienstverband bij een standaardcontrole van de ingeleverde laptop zijn gevonden, brengt niet mee dat de beperkingen van het recht op privacy niet gelden. Er is immers nog steeds sprake van het controleren en het inzien van e-mailberichten van een derde. Er is geen sprake van een gerechtvaardigd doel en aan de proportionaliteitseis is niet voldaan. Controle van de berichten door de werkgever is niet toelaatbaar.
Mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie bied ik u hierbij het rapport «Meting dataretentie 2013» aan (ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer). Het rapport van Agentschap Telecom, de toezichthouder voor dataretentie, over de naleving van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens is u toegezegd tijdens het
Uit het
Vordering tot verwijdering van beveiligingscamera's afgewezen. Eiser is de eigenaar van een perceel grond met daarop een woning en een bedrijfshal. Gedaagde is de eigenaar van het daarnaast gelegen perceel met daarop eveneens een woning en een bedrijfshal. Beide percelen zijn gelegen op een bedrijventerrein. Uit de technische beschrijving van de camera's kan worden afgeleid dat deze een zodanig bereik hebben dat er opnamen van zijn woning en tuin kunnen worden gemaakt, maar het gevoel van privacyinbreuk wordt niet nader onderbouwd. Gezien het verweer over het gebruik van de beelden (opslag en slechts bekijken wanneer er inbraak is), wordt er niet onrechtmatig gehandeld.