Wet- en regelgeving  

IT 5233

Geen ontbinding van licentie- en implementatieovereenkomsten, wel rechtsgeldige opzegging

Rechtbank Overijssel 16 apr 2026,, IT 5233; ECLI:NL:RBOVE:2025:2459 (MST tegen Solix), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-ontbinding-van-licentie-en-implementatieovereenkomsten-wel-rechtsgeldige-opzegging

Rb. Overijssel 16 april 2025, IT 5233; ECLI:NL:RBOVE:2025:2459 (MST tegen Solix). De rechtbank oordeelt dat MST de drie met Solix gesloten overeenkomsten, een softwarelicentieovereenkomst, SOW I voor installatie en configuratie en SOW II voor inrichting en datamigratie, niet rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden per 1 februari 2022. Volgens de rechtbank zijn in SOW I en SOW II geen fatale termijnen overeengekomen: de in SOW I genoemde “2 Weeks Remote QuickStart Services” is daarvoor onvoldoende, terwijl in SOW II juist uitdrukkelijk is vermeld dat de genoemde data slechts illustratief zijn en geen bindende einddata vormen. Ook de in de offerteaanvraag genoemde Go-Live-datum van 3 december 2021 is niet als contractuele fatale termijn overeengekomen. De overige door MST gestelde tekortkomingen leiden evenmin tot ontbinding. Dat Solix vertraging en gebrekkige communicatie deels heeft erkend, betekent volgens de rechtbank niet dat sprake is van een tekortkoming van voldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen, mede omdat sprake was van een gezamenlijk project, MST de door Solix genoemde oorzaken van vertraging aan haar zijde niet afdoende heeft weerlegd, de door MST gestelde extra kosten en technische onkunde onvoldoende zijn onderbouwd en Solix bovendien een plan van aanpak had gepresenteerd om het project af te ronden. Ook ontbreekt verzuim, omdat geen ingebrekestelling is verzonden en uit de omstandigheden niet volgt dat Solix niet meer zou nakomen of dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk was. De rechtbank wijst daarom zowel de primaire als de subsidiaire ontbindingsvorderingen af.

IT 5232

Softwareontwikkelopdracht tussentijds geëindigd: geen tekortkoming, wel nadere beoordeling redelijk loon ex art. 7:411 BW

Rechtbank Midden-Nederland 15 jan 2025,, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/softwareontwikkelopdracht-tussentijds-geeindigd-geen-tekortkoming-wel-nadere-beoordeling-redelijk-loon-ex-art-7-411-bw

Rb. Midden-Nederland 15 januari 2025, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht gold voor de ontwikkeling van de applicatie One Invoice, en dat niet is komen vast te staan dat de later toegezonden aangepaste offerte van 19 oktober 2022 door [eiseres] is aanvaard; daarom blijft de oorspronkelijke opdrachtbevestiging maatgevend. De rechtbank verwerpt vervolgens de primaire grondslag van [eiseres] dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten. Niet is bewezen dat een betaversie in januari 2022 moest zijn opgeleverd, en voor zover van vertraging sprake was, hing die samen met de ziekte van ontwikkelaar [A], waarvoor [eiseres] destijds begrip had getoond. Ook het door [eiseres] ingebrachte ICT-rapport levert geen bewijs van tekortkoming op: de daarin gestelde vragen zien op wat is opgeleverd, de bruikbaarheid daarvan voor een derde en de economische waarde ervan, maar niet op de juridisch beslissende maatstaf of [gedaagde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer mag worden verwacht. Verder geldt dat partijen een vaste prijs waren overeengekomen en géén afspraken hadden gemaakt over concrete tussenstadia van het werk of de opeisbaarheid van delen van die prijs; daarom kan een eventuele discrepantie tussen de economische waarde van het tussenresultaat en het reeds betaalde bedrag op zichzelf geen tekortkoming opleveren. De door [eiseres] ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding is dus ten onrechte ingeroepen, en ook haar omzettingsverklaring ex art. 6:87 BW blijft zonder rechtsgevolg.

IT 5230

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

Gerechtshof Amsterdam 14 apr 2026,, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/schade-na-crypto-investeringen-niet-aangetoond

Hof Amsterdam 14 april 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, omdat appellanten, na het tussenarrest van 3 juni 2025, onvoldoende hebben aangetoond dat zij als gevolg van de eerder aangenomen tekortkoming van geïntimeerde schade hebben geleden en hoe groot die schade dan zou zijn. Het hof had hun opgedragen om per appellant inzichtelijk te maken wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd als die na eind oktober 2018 elders ter belegging waren ondergebracht, vergeleken met wat zij daadwerkelijk van geïntimeerde hebben ontvangen, uitgaande van de tegenwaarde in euro op de data van inleg en uitkering en met 1 oktober 2020 als peildatum. Volgens het hof hebben appellanten die instructies niet gevolgd: hun berekeningen voor onder meer [appellant 11] en [appellant 1] sluiten niet aan bij de feitelijke, in ethereum verrichte uitkeringen in december 2020 en januari 2021, en voor andere appellanten ontbreekt zelfs inzicht in de berekeningsmethode.

IT 5204

Samenwerking eventtechbedrijven: Amplify geen product van de samenwerking dus geen onrechtmatige toe-eigening of onrechtmatige concurrentie

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026,, IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/samenwerking-eventtechbedrijven-amplify-geen-product-van-de-samenwerking-dus-geen-onrechtmatige-toe-eigening-of-onrechtmatige-concurrentie

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23471; IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov). De Rechtbank Amsterdam wijst alle vorderingen van Howler af in haar geschil met Woov over de najaar 2022 gestarte samenwerking, die zag op de integratie van Howlers ticketing- en cashlessdiensten in de bestaande Woov-app en op het toewerken naar een mogelijke fusie. Volgens Howler had Woov het huidige product Amplify onrechtmatig aan de samenwerking onttrokken, omdat dit product door en voor de samenwerking zou zijn ontwikkeld en daarom als gezamenlijke corporate opportunity moest worden beschouwd. De rechtbank volgt dat niet. Zij oordeelt dat uit de Partnership Agreement niet blijkt dat partijen waren overeengekomen om naast de integratie van bestaande diensten ook een geheel nieuw product te ontwikkelen. Verder heeft Woov volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij Amplify zelfstandig buiten de samenwerking om heeft ontwikkeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Woov Amplify in juni 2023 als nieuwe propositie aan Howler presenteerde, dat partijen contractueel hadden vastgelegd dat intellectuele eigendom toekomt aan de partij die het desbetreffende product ontwikkelt, en dat in de EPA Term Sheet 2023 uitdrukkelijk is opgenomen dat alle IP op Amplify en Woov-diensten bij Woov ligt. Ook de door Howler betaalde exclusiviteitsvergoeding bewijst volgens de rechtbank niet dat Howler aan de ontwikkeling van Amplify heeft meebetaald, omdat die vergoeding zag op de afgesproken samenwerkingsdiensten, met name de integratie, en niet op de ontwikkeling van een nieuw product. De rechtbank oordeelt bovendien dat Amplify wezenlijk verschilt van de geïntegreerde Woov-app: Amplify is een AI-gedreven enterprise product, technologisch anders ingericht, agnostisch ten aanzien van ticketing- en cashlessaanbieders en alleen op de zakelijke markt gericht. Dat Amplify tijdens de samenwerking en in het kader van de fusiebesprekingen aan klanten en aandeelhouders is gepresenteerd, maakt het nog niet tot een product van de samenwerking, nu de rechtbank nadrukkelijk onderscheid maakt tussen de contractuele samenwerking en het parallelle fusietraject. Daarom is geen sprake van onrechtmatige toe-eigening.

IT 5200

Doorlinken van <hirschmann.nl> naar Smartmedia-site met verwijzing naar Managed Cloud Tv levert sub b-merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 25 mrt 2026,, IT 5200; ECLI:NL:RBDHA:2026:7136 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/doorlinken-van-hirschmann-nl-naar-smartmedia-site-met-verwijzing-naar-managed-cloud-tv-levert-sub-b-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 25 maart 2026, IEF 23464; IT 5200; ECLI:NL:RBDHA:2026:7136 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.). De rechtbank oordeelt dat IP Groep, maar niet Smartmedia, inbreuk heeft gemaakt op de HIRSCHMANN-merkrechten van Belden c.s. door de domeinnaam <hirschmann.nl> van in ieder geval 13 september 2024 tot en met 30 januari 2025 te gebruiken als doorlink naar www.smartmedia.nl. Op die website stond de tekst “Ontdek in de tussentijd alvast onze Managed Cloud Tv oplossing”, waarbij dat onderstreepte gedeelte weer doorlinkte naar www.managedcloudtv.com, waar de Managed Cloud Tv-diensten werden aangeboden. De rechtbank acht zich bevoegd voor zowel de Uniemerken als het Beneluxmerk. Van sub a-inbreuk is geen sprake, omdat de domeinnaam niet identiek is aan de ingeroepen merken: het teken bevat de extensie “.nl” en het Benelux woord-/beeldmerk bevat bovendien het element “multimedia”. Wel is sprake van sub b-inbreuk. Door het doorlinken ontstond een verband tussen de domeinnaam en de aangeboden diensten, zodat sprake was van gebruik in het economisch verkeer ter onderscheiding van diensten. Het teken <hirschmann.nl> stemt visueel en auditief in grote mate overeen met de HIRSCHMANN-merken; “HIRSCHMANN” is het enige bestanddeel van de Uniewoordmerken en het dominante bestanddeel van het Benelux woord-/beeldmerk, terwijl “multimedia” en “.nl” van ondergeschikte, beschrijvende betekenis zijn. De rechtbank oordeelt verder dat de Managed Cloud Tv-oplossing overeenstemt met onder meer de waren en diensten in klassen 9 en 42 waarvoor het Uniewoordmerk van Hirschmann en het Benelux woord-/beeldmerk van Belden zijn ingeschreven. Zij overweegt uitdrukkelijk dat die diensten niet overeenstemmen met de waren en diensten waarvoor het Uniewoordmerk van Belden is ingeschreven. Omdat daardoor reëel verwarringsgevaar bestaat, in die zin dat het publiek kan menen dat IP Groep een officiële wederverkoper is of anderszins commercieel met Belden c.s. is verbonden, wordt het gevorderde inbreukverbod tegen IP Groep toegewezen. Smartmedia maakt volgens de rechtbank geen merkinbreuk, omdat op haar website zelf de HIRSCHMANN-merken of daarmee overeenstemmende tekens niet voorkwamen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, en de rechtbank laat in het midden of ook een beroep op art. 2.20 lid 2 sub d BVIE zou slagen.

IT 5199

Beperkt verbod ten aanzien van erkend overgenomen foto’s

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026,, IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beperkt-verbod-ten-aanzien-van-erkend-overgenomen-foto-s

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23463; IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen). De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen van [eisende partij] tegen Nordkitchen slechts in zeer beperkte mate toe. De kern van het geschil was of Nordkitchen foto’s, teksten en vormgeving van de website van [eisende partij] had overgenomen waarop auteursrecht rustte en waarvan [eisende partij] rechthebbende was. De voorzieningenrechter beperkt zijn beoordeling tot de foto’s, omdat voorshands niet is gebleken dat ook teksten of vormgeving voldoende concreet als overgenomen materiaal zijn aangewezen. Daarbij formuleert de rechter eerst het toepasselijke auteursrechtelijke toetsingskader: voor bescherming is vereist dat een werk nauwkeurig en objectief identificeerbaar en oorspronkelijk is, in die zin dat het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; bij foto’s mogen zulke creatieve keuzes niet zonder meer worden verondersteld. Verder geldt dat het auteursrecht in beginsel toekomt aan de maker, doorgaans de fotograaf, en dat overdracht aan een opdrachtgever schriftelijk moet blijken. Tegen die achtergrond wordt alleen het verbod toegewezen voor de foto’s genoemd in randnummers 3.1, 3.3, 3.5 en 3.12 van de dagvaarding. Dat oordeel berust erop dat Nordkitchen, mede via haar onthoudingsverklaring en haar toelichting ter zitting, in wezen heeft erkend dat juist die foto’s van haar website moesten worden verwijderd, terwijl zij onvoldoende heeft onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk was gebeurd. De voorzieningenrechter verbiedt daarom verdere openbaarmaking, verveelvoudiging of enig ander gebruik van die specifieke foto’s. Aan dit verbod wordt echter geen dwangsom verbonden, omdat niet is gebleken dat Nordkitchen onwelwillend is om concreet aangewezen materiaal te verwijderen zodra duidelijk is om welke foto’s het gaat en waarop het gestelde recht ziet.

IT 5044

Nieuw art. 8a Databankenwet: databankrecht geldt niet voor gegevens uit verbonden producten

Gegevens die worden verkregen uit of gegenereerd door een verbonden product of een gerelateerde dienst vallen sinds 21 november 2025 niet meer onder het sui generis databankrecht van de Databankenwet.

Het nieuwe artikel 8a Databankenwet luidt:

“Het recht, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing wanneer gegevens worden verkregen uit of gegenereerd door een verbonden product of gerelateerde dienst als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2023/2854 (...).”

Dat blijkt uit de Uitvoeringswet dataverordening van 29 oktober 2025, ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/2854 (Dataverordening) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data.

IT 4949

Besluit over vaststelling toezichtsvergoeding TikTok nietig

HvJ EU 10 sep 2025,, IT 4949; ECLI:EU:T:2025:843 (TikTok Technology Ltd tegen Europese Commissie ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/besluit-over-vaststelling-toezichtsvergoeding-tiktok-nietig

Gerecht EU 10 september 2025, IT 4949; ECLI:EU:T:2025:843 (TikTok Technology Ltd tegen Europese Commissie). TikTok Technology Ltd (hierna: TikTok) vordert door haar beroep op artikel 263 VWEU een nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C92023) 8173 final van de Europese Commissie van 27 november 2023 tot vaststelling van de toezichtsvergoeding die voor TikTok geldt krachtens artikel 43, lid 3, van verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: het bestreden besluit). Overeenkomstig artikel 43 van de digitaledienstenverordening brengt de Commissie aanbieders van zeer grote onlineplatforms (hierna: „ZGOP’s”) en van zeer grote onlinezoekmachines (hierna: „ZGOZ’s”) een jaarlijkse toezichtsvergoeding in rekening voor elke dienst waarvoor zij zijn aangewezen krachtens artikel 33. Die vergoeding wordt vastgesteld middels een uitvoeringshandeling en is bestemd om de geraamde kosten te dekken die de Commissie maakt in verband met haar toezichtstaken uit hoofde van de digitaledienstenverordening. Overeenkomstig artikel 43, lid 4, van deze verordening stelt de Commissie die vergoeding vast volgens de methode die zij heeft vastgesteld in een gedelegeerde handeling, met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 43, lid 5, van die verordening. TikTok voert vijf middelen aan, waarvan de eerste is ontleend aan een schending van artikel 43, lid 5, onder b), van de digitaledienstenverordening en, bij wege van exceptie, aan de onwettigheid van artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127. Dit valt uiteen in vijf onderdelen. Ten eerste, het gebruik van de gemeenschappelijke methode is niet rechtmatig, ten tweede, schending van artikel 43, lid 5, onder b), van de digitaledienstenverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste alinea, onder p), van de digitaledienstenverordening, betreffende de wettelijke definitie van het GAMAA, ten derde, de methode die in het bestreden besluit is gebruikt om het GAMAA te ramen behandelt de platforms discriminatoir, ten vierde, noch artikel 43 van de digitaledienstenverordening noch artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127 vormt een rechtsgrondslag voor de vaststelling van een methode voor de berekening van het GAMAA in een uitvoeringshandeling, en ten vijfde, aanvoering van een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127. 

IT 4751

EU integreert herziene gedragscode tegen online haatzaaien in wetgeving

Op 20 januari 2025 is een vernieuwde gedragscode tegen illegale haatzaaiende uitlatingen op internet formeel opgenomen in de Digital Services Act (DSA). Dit besluit werd genomen na positieve beoordelingen door zowel de Europese Commissie als de Raad voor Digitale Diensten. De gedragscode, die voortbouwt op een eerder initiatief uit 2016, is ontworpen om de verspreiding van haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms effectiever aan te pakken en tegelijkertijd de naleving van EU-wetgeving te verbeteren. De vernieuwde code, ondertekend door platforms zoals Facebook, TikTok, YouTube en LinkedIn, legt nadruk op samenwerking met maatschappelijke organisaties en toezichthouders. De code vereist dat meldingen van haatzaaiende inhoud binnen 24 uur worden beoordeeld. Platforms worden ook aangespoord om transparant te zijn over hun moderatie-inspanningen door rapportages op te splitsen naar land en type incident, en meer inzicht te bieden in de rol van algoritmes bij de verspreiding van dergelijke inhoud. De gedragscode fungeert niet alleen als richtlijn voor de aanpak van illegale inhoud, maar biedt ook een kader waarmee platforms kunnen aantonen dat zij voldoen aan de risicobeperkende vereisten van de DSA. Dit is vooral relevant voor de zogenaamde "zeer grote online platforms" (VLOP's) en zoekmachines (VLOSE's), die onderworpen zijn aan strengere regels.

IT 4620

AVG-recht van inzage moet wijken voor het belang van Bunq om aan de wettelijke Wwft-plichten te voldoen

Rechtbank 9 sep 2024,, IT 4620; ECLI:NL:RBDHA:2024:14477 (Verzoeker tegen Bunq B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/avg-recht-van-inzage-moet-wijken-voor-het-belang-van-bunq-om-aan-de-wettelijke-wwft-plichten-te-voldoen

Rb. Den Haag 9 september, IT 4620; ECLI:NL:RBDHA:2024:14477 (Verzoeker tegen Bunq B.V.). Verzoeker is klant van Bunq. Bunq heeft de bankrekeningen van verzoeker geblokkeerd, omdat hij niet heeft gereageerd op het herhaaldelijke verzoek om bepaalde documenten toe te sturen. Verzoeker verstrekt de documenten daarna alsnog en de blokkade wordt opgeheven. Verzoeker vraagt Bunq vervolgens om inzage in alle van hem verwerkte gegevens, onder andere met betrekking tot de blokkering van zijn rekeningen. Bunq doet als verzocht, maar verzoeker stelt dat er gegevens ontbreken. Verzoeker stapt naar de rechter. In de tussentijd heeft Bunq aanvullende gegevens verstrekt die Bunq in relatie tot verzoeker heeft verwerkt. Desondanks vraagt verzoeker aan de rechtbank om Bunq op te dragen hem volledige inzage te verschaffen in zijn persoonsgegevens, inclusief de gegevens die zijn verwerkt als onderdeel van het besluitvormingsproces rondom de blokkade en de opheffing daarvan. Verzoeker legt daaraan ten grondslag dat Bunq onzorgvuldig te werk is gegaan, onder andere door het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming. Bunq stelt daarentegen dat zij voldoende tegemoet is gekomen aan het inzageverzoek en dat er geen sprake is geweest van geautomatiseerde besluitvorming.