DOSSIERS
Alle dossiers

Contractenrecht  

IT 5177

Geen tekortkoming van netbeheerder wegens uitblijven tijdige verzwaring van elektriciteitsaansluiting; geen bindende oplevertoezegging en geen overschrijding van een redelijke termijn

Rechtbank Oost-Brabant 18 mrt 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-tekortkoming-van-netbeheerder-wegens-uitblijven-tijdige-verzwaring-van-elektriciteitsaansluiting-geen-bindende-oplevertoezegging-en-geen-overschrijding-van-een-redelijke-termijn

Rb. Oost-Brabant 18 maart 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis). In deze bodemzaak vorderde een taxibedrijf schadevergoeding van Enexis Netbeheer B.V. omdat de verzwaring van haar elektriciteitsaansluiting en de beschikbaarstelling van voldoende transportvermogen volgens haar te laat waren gerealiseerd voor de inzet van 50 elektrische bussen. Het taxibedrijf had op 31 januari 2023 een aanvraag gedaan voor wijziging van de bestaande aansluiting van 3x250 ampère naar een aansluiting van 1.750 kVA op haar terrein. Op 13 april 2023 ondertekende zij de offerte van Enexis. In die offerte stond als gewenste opleverdatum 3 juli 2023, maar ook dat de verwachte levertijd van 33 weken slechts een indicatie was, dat daaraan geen rechten konden worden ontleend en dat de levertijd langer zou worden indien eerst een netuitbreiding nodig was. Na een telefoongesprek bevestigde Enexis op 19 april 2023 per e-mail dat de voorkeursdatum van 3 juli 2023 niet haalbaar was, dat de datum “nu [was] gezet op week 2 van 2024” en dat voor realisatie van de aansluiting ook een netuitbreiding nodig was. Het taxibedrijf stelde dat Enexis daarmee had toegezegd, althans het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt, dat de aansluiting in week 2 van 2024 gereed zou zijn, en dat zij in dat vertrouwen op 10 juli 2023 50 elektrische bussen had besteld. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres haar oorspronkelijke beroep op overschrijding van de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 tijdens de mondelinge behandeling had verlaten, gelet op het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 april 2025, waarin die termijn buiten toepassing is gelaten wegens strijd met artikel 47 Handvest. De zaak moest daarom worden beoordeeld op de gewijzigde grondslag dat Enexis onjuiste of misleidende informatie zou hebben verstrekt en de aansluiting niet binnen een redelijke termijn zou hebben gerealiseerd.

IT 5157

Prijsdifferentiatie via Google Shopping geen misleidende handelspraktijk

Hoge Raad 12 sep 2025, IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept), https://www.itenrecht.nl/artikelen/prijsdifferentiatie-via-google-shopping-geen-misleidende-handelspraktijk

Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, RB 3986; IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept). De P-G gaat in deze conclusie in op de vraag of prijsverschillen tussen aanbiedingen via Google Shopping en een eigen webshop kunnen worden aangemerkt als misleidende reclame of een oneerlijke handelspraktijk in de zin van het Unierecht. Aanleiding vormt een geschil tussen concurrenten, waarin Media Concept printercartridges via Google Shopping tegen een lagere prijs en met een afnamebeperking aanbood, terwijl op de eigen website een hogere prijs gold zonder die beperking.

IT 4877

Betent heeft onterecht jackpot niet uitgekeerd, rechtbank definieert ‘delen’ van spelersaccount

Rechtbank Amsterdam 7 mei 2025, IT 4877; ECLI:NL:RBAMS:2025:3344 (Eiseres tegen Betent), https://www.itenrecht.nl/artikelen/betent-heeft-onterecht-jackpot-niet-uitgekeerd-rechtbank-definieert-delen-van-spelersaccount

Rb. Amsterdam 7 mei 2025, IT 4877; ECLI:NL:RBAMS:2025:3344 (Eiseres tegen Betent). Betent biedt online kansspelen aan in Nederland via een platform dat toegankelijk is via een website en app. Eiseres heeft zich hiervoor geregistreerd en een spelersaccount aangemaakt. Hierbij heeft eiseres de Algemene Voorwaarden geaccepteerd. Op 2 juli 2023 heeft eiseres de jackpot gewonnen van €172.824. Op 3 juli heeft Betent het spelersaccount geschorst om een onderzoek uit te voeren. Op 4 augustus heeft Betent het onderzoek afgerond en eiseres laten weten dat het gewonnen bedrag niet zal worden uitgekeerd. In deze procedure vordert eiseres uitbetaling van het gewonnen bedrag. Betent voert verweer en stelt dat eiseres het spelersaccount heeft gedeeld met [naam 1]. Dit is in strijd met de Algemene Voorwaarden, en dus mocht Betent het account schorsen, aldus Betent zelf. De rechtbank moet om de vraag die centraal staat in deze procedure te beantwoorden vaststellen wat er onder ‘delen’ van het spelersaccount wordt verstaan. Betent stelt dat onder delen niet alleen valt dat een ander op het account speelt, maar ook een poging tot inloggen, het proberen geld over te maken naar een ander account, uitleg geven aan iemand en zelfs het gezamenlijk bespreken van het onderwerp op de bank kan leiden tot een redelijk vermoeden van delen. Eiseres ziet de definitie van delen echter anders. 

IT 4873

Verzoek om prejudiciële beslissing over streamingdiensten: digitale dienst, of digitale inhoud?

Overige instanties 27 mrt 2025, IT 4873; (Verzoeker tegen verweerster), https://www.itenrecht.nl/artikelen/verzoek-om-prejudiciele-beslissing-over-streamingdiensten-digitale-dienst-of-digitale-inhoud

Verzoek van Oberster Gerichtshof 27 maart 2025, IT 4873; Zaak C-234/25 (Verzoeker tegen verweerster). Verzoeker is een vereniging voor de behartiging van consumentenbelangen. Verweerster biedt streamingdiensten aan. Klanten kunnen programma’s ‘live’ of ‘on demand’ kijken. Afhankelijk van de betreffende licentiegever zijn ook downloads mogelijk. Het programma wordt dan in eigen geheugen opgeslagen en kan slechts één keer bekeken worden, binnen 48 uur. Bij het aangaan van het abonnement gaat een consument ermee akkoord dat de aanbieder voor het verstrijken van de herroepingstermijn van 14 dagen met de uitvoering van de overeenkomst begint. Hierdoor verliest de consument op het moment van de bestelling van een abonnement het herroepingsrecht. Verzoeker vordert dat verweerster deze voorwaarde aanpast, aangezien deze onjuist is. Bij een streamingabonnement is sprake van een ‘digitale dienst’, waarbij de volledige uitvoering van de dienst pas leidt tot het verlies van het herroepingsrecht.  Verweerster meent echter dat er sprake is van ‘digitale inhoud’. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, in tweede aanleg is de vordering toegewezen. Tegen deze uitspraak heeft verweerster beroep ingesteld. In dit kader stelt de verwijzende rechter de volgende vraag:

IT 4634

Nieuwe standaardcontractbepalingen voor gegevensoverdrachten

De Europese Commissie (EC) werkt aan de invoering van nieuwe standaardcontractbepalingen (SCC's) voor gegevensoverdrachten tussen partijen die beide onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR) vallen. Dit is vooral relevant voor bedrijven buiten de Europese Economische Ruimte (EER) die gegevens van binnen de EER verwerken. De publicatie van het ontwerp van deze SCC's wordt binnenkort verwacht, met goedkeuring gepland voor het tweede kwartaal van 2025. De GDPR is ook van toepassing op bedrijven buiten de EER die goederen of diensten aanbieden aan EER-burgers of hun gedrag monitoren binnen de EER. Dit heeft bijvoorbeeld gevolgen voor bedrijven in sectoren zoals telemedicine, cloudgebaseerde medische dossiers en klinisch onderzoek. Deze bedrijven moeten zorgvuldig omgaan met gegevensoverdrachten naar landen buiten de EU.

IT 4601

Beoordeling van Ukomst voor Europese aanbesteding ICT-werk is ontoereikend gemotiveerd door de Staat

Rechtbank 2 jul 2024, IT 4601; ECLI:NL:RBDHA:2024:11201 (Ukomst tegen de Staat), https://www.itenrecht.nl/artikelen/beoordeling-van-ukomst-voor-europese-aanbesteding-ict-werk-is-ontoereikend-gemotiveerd-door-de-staat

Rb. Den Haag 2 juli 2024, IT 4601; ECLI:NL:RBDHA:2024:11201 (Ukomst tegen de Staat). Aanleiding tot dit geschil is een door de Staat georganiseerde Europese aanbesteding voor de tijdelijke inhuur van ICT-Professionals. Uit het aanbestedingsdocument volgt dat het gunningscriterium de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding is. Prijs en kwaliteit zijn de subgunningscriteria en worden getoetst aan de hand van een aantal (wens)vragen. Ukomst heeft zich tijdig ingeschreven op de aanbesteding. Zij heeft echter een onvoldoende gescoord op de totaalscore van de wensvragen waardoor zij voor de aanbesteding is afgewezen. Ukomst maakt hiertegen bezwaar in kort geding. Primair vordert zij dat de Staat wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken en de inschrijvingen te laten herbeoordelen door een nieuw te benoemen, objectieve beoordelingscommissie; subsidiair vordert zij hetzelfde met als verschil dat de Staat de opdracht opnieuw aanbesteedt, te beoordelen door dezelfde commissie. De inschrijving van Ukomst zou onjuist, onzorgvuldig en willekeurig beoordeeld zijn. Om te bepalen of er aanleiding is om een voorziening te treffen kijkt de voorzieningenrechter naar de aangeboden maatregelen door Ukomst op de problematiek.

IT 4598

Procureur-generaal Hoge Raad over de gevolgen van vernietiging op verbeurde dwangsommen in IT-zaak

Hoge Raad 5 jul 2024, IT 4598; ECLI:NL:PHR:2024:731 (DME tegen Inc), https://www.itenrecht.nl/artikelen/procureur-generaal-hoge-raad-over-de-gevolgen-van-vernietiging-op-verbeurde-dwangsommen-in-it-zaak

Hoge Raad 5 juli 2024, IEF 22179, IT 4598; ECLI:NL:PHR:2024:731 (DME tegen Inc). Eiser in deze zaak is DME en verweerder is Inc. Beide bedrijven houden zich bezig met het leveren van producten en diensten op het gebied van identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. In januari 2016 hebben DME en Inc een overeenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik en de distributie van de door Inc ontwikkelde software (hierna: de Inc-software). Op grond hiervan kreeg DME een eeuwigdurende licentie om de Inc-software te gebruiken en deze te verkopen, in ruil tegen toekenning van een optierecht aan Inc voor een meerderheidsbelang in DME. Op 13 juli 2018 heeft Inc toepassing gegeven aan haar optierecht en 50,01% van de aandelen in DME verkregen. Vanaf dat moment buigen DME en Inc zich samen over de ontwikkeling van de Inc-software, waarbij onder meer een uitgebreide versie van de Inc-software wordt ontwikkeld. Aanleiding tot het onderhavige geschil is de vraag bij wie het auteursrecht berust van deze uitgebreide versie. Het geschil heeft ertoe geleid dat Inc de samenwerking heeft stopgezet en DME de toegang tot haar systemen heeft ontnomen.

IT 4597

Identificatie- en verificatieprocedure van ICS is rechtmatig, aldus het hof

Hof 30 apr 2024, IT 4597; ECLI:NL:GHAMS:2024:1165 (Appellant tegen ICS), https://www.itenrecht.nl/artikelen/identificatie-en-verificatieprocedure-van-ics-is-rechtmatig-aldus-het-hof

Hof 30 april 2024, IT 4597; ECLI:NL:GHAMS:2024:1165 (Appellant tegen ICS). Aanleiding tot dit geschil is het feit dat International Card Services B.V. (hierna: ICS), een dochtervennootschap van ABN AMRO Bank N.V., de creditcard van appellant, haar (zakelijke) klant, beoogt te blokkeren. Dit omdat appellant zich niet wil identificeren op de door ICS verzochte wijze. Appellant heeft aangegeven het niet eens te zijn met de wijze van identificatie, gezien de manier waarop zijn gegevens daarbij worden verwerkt. Volgens appellant is identificatie middels een gewaarmerkte kopie van zijn identiteitsbewijs voldoende; volgens ICS volstaat enkel een foto van het originele identiteitsbewijs, bij voorkeur ingediend via de digitale app van ICS. Bij verstekvonnis is appellant in het gelijk gesteld door de rechtbank, maar na verzet van ICS heeft de rechtbank dit vonnis vernietigd en de vorderingen van appellant afgewezen. Appellant gaat daartegen in hoger beroep bij het hof. Kort gezegd voert appellant aan dat ICS hem nooit had mogen verplichten tot de door ICS gehanteerde identificatie- en verificatieprocedure, gelet op de Wwft en de AVG.

IT 4588

Gebruik IGLOO-merken door oud-distributeur is toegestaan voor de verkoop van opgebouwde voorraad

Rechtbank 18 jul 2024, IT 4588; ECLI:NL:RBDHA:2024:11317 (IPC tegen Coolers), https://www.itenrecht.nl/artikelen/gebruik-igloo-merken-door-oud-distributeur-is-toegestaan-voor-de-verkoop-van-opgebouwde-voorraad

Vzr. Rb. Den Haag 18 juli 2024, IEF 22162, IT 4588; ECLI:NL:RBDHA:2024:11317 (IPC tegen Coolers). IPC is een Amerikaanse fabrikant en houdster van onder meer de Benelux- en Uniemerken ´IGLOO´. Coolers is lange tijd distributeur geweest van IGLOO-producten, waarbij met toestemming veelvuldig gebruik werd gemaakt van de merken van ICP. Op 31 maart 2023 heeft IPC de distributieovereenkomst opgezegd. Hierna verkoopt Coolers nog steeds haar overige voorraad IGLOO-producten. In dat kader adverteert zij ook nog steeds met de IGLOO-merken via tal van online kanalen. IPC vordert dat Coolers wordt geboden om iedere inbreuk op de IGLOO-merken en handelsnaamrechten van IPC te staken en gestaakt te houden. Daaraan ten grondslag legt zij dat door het gebruik van de IGLOO-merken door Coolers het bestaan van een economische band tussen IPC en Coolers wordt gesuggereerd, terwijl die band niet meer bestaat. Coolers stelt daarentegen dat de opzegging van de distributieovereenkomst door IPC onrechtmatig is omdat de opzegtermijn onvoldoende redelijk zou zijn. Bovendien zou Coolers nog steeds gerechtigd zijn gebruik te maken van de IGLOO-merken, zolang zij producten verkoopt uit de voorraad die zij heeft opgebouwd en ingekocht bij IPC op grond van de overeenkomst.

IT 4582

Arag hoeft schadelijke berichtgeving van ex-cliënt niet te tolereren

Rechtbank 13 jun 2024, IT 4582; ECLI:NL:RBGEL:2024:3644 (Arag tegen gedaagde), https://www.itenrecht.nl/artikelen/arag-hoeft-schadelijke-berichtgeving-van-ex-client-niet-te-tolereren

Vzr. Rb. Gelderland 13 juni 2024, IT 4582; ECLI:NL:RBGEL:2024:3644 (Arag tegen gedaagde). Deze zaak vloeit voort uit een tussen gedaagde en ABN-AMRO Verzekeringen (hierna: ABN-AMRO) afgesloten en later opgezegde rechtsbijstandverzekering. De uitvoering van de verzekering was belegd bij Arag, eiser in deze zaak. Het geschil tussen partijen is ontstaan naar aanleiding van de opzegging van de verzekeringsovereenkomst. ABN-AMRO heeft de overeenkomst, op basis van de verzekeringsvoorwaarden, eenzijdig opgezegd nadat gedaagde zich beledigend en bedreigend zou hebben uitgelaten naar de medewerkers van Arag. Gedaagde heeft hiertegen een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening, maar tevergeefs. Ook het hoger beroep van gedaagde liep op niets uit. Gedaagde heeft diens frustratie kenbaar gemaakt door meerdere negatieve berichten op verschillende sociale media te plaatsen met betrekking tot Arag en haar medewerkers. Arag vordert in kort geding dat gedaagde alle berichten verwijdert waarin hij namen van de medewerkers van Arag noemt, alsmede waarin hij de reputatie van Arag schendt, dan wel zich neerbuigend over Arag uitlaat en/of Arag beschuldigt van strafbaar en/of onrechtmatig gedrag. Ook vordert Arag dat gedaagde wordt verboden om dergelijke uitingen te doen in de toekomst.

  • 1
  • 2
  • 3
  • 1 - 10 van 21