DOSSIERS
Alle dossiers

Contractenrecht  

IT 5540

Samenwerkingsovereenkomst verplicht niet tot overdracht van beheerdersrechten voor digitale systemen

Rechtbank Den Haag 13 jul 2026, IT 5540; ECLI:NL:RBDHA:2026:21811 (Marketing Strategies c.s. tegen [partij B] c.s.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/samenwerkingsovereenkomst-verplicht-niet-tot-overdracht-van-beheerdersrechten-voor-digitale-systemen

Rb. Den Haag 13 juli 2026, IT 5540; ECLI:NL:RBDHA:2026:21811 (Marketing Strategies c.s. tegen [partij B] c.s.). In een geschil tussen aandeelhouders van een marketingonderneming vorderde Marketing Strategies onder meer volledige toegang, inclusief de hoogste beheerdersrechten, tot diverse digitale bedrijfssystemen en accounts, waaronder Google Workspace, softwareplatforms, domeinnamen, hostingomgevingen, socialmedia-accounts en API-diensten. Volgens Marketing Strategies hield de wederpartij essentiële digitale systemen en toegangsrechten onder zich, waardoor haar bedrijfsvoering werd belemmerd. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Hoewel uit de samenwerkingsovereenkomst volgt dat de wederpartij onder meer verantwoordelijk was voor het bouwen en onderhouden van de website en het platform van “Review Us” en voor het beheer van de bijbehorende socialmedia-accounts, bevat die overeenkomst geen afspraak waaruit volgt dat de gevorderde beheerdersrechten aan Marketing Strategies toekomen of aan haar moeten worden overgedragen. Ook uit andere aangevoerde feiten en omstandigheden kan de voorzieningenrechter een dergelijke verplichting niet afleiden. Daarnaast is niet zonder meer aannemelijk geworden dat het ontbreken van die beheerdersrechten de bedrijfsvoering daadwerkelijk blokkeerde: Marketing Strategies bediende nog een substantieel deel van haar klanten en uit de overgelegde screenshots konden de gestelde toegangsblokkades niet worden afgeleid. De rechter legt geen verplichting op om een back-up van de bedrijfsgegevens aan Marketing Strategies te verstrekken, maar acht de wederpartij gedurende het geschil wel gehouden regelmatig back-ups te maken en deze beschikbaar te houden.

IT 5539

Voorzieningenrechter Midden-Nederland: overdracht van website en socialmedia-accounts toegewezen in geschil over projectbeheer

Rechtbank Midden-Nederland 1 sep 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/voorzieningenrechter-midden-nederland-overdracht-van-website-en-socialmedia-accounts-toegewezen-in-geschil-over-projectbeheer

Rb. Midden-Nederland 1 september 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.). In een geschil over de samenwerking rond een project met modulaire wooneenheden vorderden de eisende vennootschappen onder meer dat gedaagden zouden stoppen met het gebruik van een bepaalde naam en de bijbehorende website, domeinnaam en socialmedia-accounts zouden overdragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de betreffende naam de (handels)naam is van twee van de eisende vennootschappen en aan hen toebehoort. Het verweer dat de naam slechts goodwill zou zijn, geen onderdeel van het verhuurbeheer vormde en alleen tijdelijk om praktische redenen door eisers werd gebruikt, acht de rechter onvoldoende onderbouwd. Gedaagden mogen de naam, of een daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam, daarom niet langer gebruiken. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat het recht op een domeinnaam niet wettelijk is geregeld en dat een domeinnaamhouder alleen tot overdracht kan worden verplicht wanneer daarvoor een rechtsplicht bestaat, bijvoorbeeld op grond van een overeenkomst of omdat registratie of gebruik tegenover een ander onrechtmatig is. Volgens de rechter geldt hetzelfde voor socialmedia-accounts. Gedaagden moeten de betreffende website, domeinnaam en accounts op onder meer Facebook, Instagram en X, inclusief de inloggegevens, binnen twee weken overdragen.

IT 5526

Geen ontbinding softwareovereenkomst na tijdig herstel van ontbrekende realtimefunctionaliteit

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 aug 2026, IT 5526; ECLI:NL:RBZWB:2026:8155 ([v.o.f.] tegen RentBuddy), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-ontbinding-softwareovereenkomst-na-tijdig-herstel-van-ontbrekende-realtimefunctionaliteit

Rb. Zeeland-West-Brabant 5 augustus 2026, IT 5526; ECLI:NL:RBZWB:2026:8155 ([v.o.f.] tegen RentBuddy). [bedrijf] en [v.o.f.], beide actief in de verhuur van evenementenartikelen, sloten op 9 februari 2023 ieder een overeenkomst voor drie jaar met RentBuddy voor het gebruik van haar ERP/CRM-systeem. Zij stellen dat vooraf met RentBuddy was besproken dat hun klanten via hun websites realtime de beschikbaarheid van producten moesten kunnen zien via een API-koppeling. Deze functionaliteit ontbrak aanvankelijk. Bij de uitleg van de overeenkomst past de kantonrechter de Haviltex-maatstaf toe: niet alleen de tekst van de overeenkomst is bepalend, maar ook wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een opname van een gesprek van 28 maart 2024 blijkt volgens de kantonrechter voldoende dat [bedrijf] en [v.o.f.] vóór het sluiten van de overeenkomsten hadden aangegeven dat realtimebeschikbaarheid voor hun webshops van belang was. Dat deze functionaliteit niet uitdrukkelijk in de offertes was opgenomen, is daarom niet doorslaggevend. [bedrijf] en [v.o.f.] mochten redelijkerwijs verwachten dat het systeem realtimebeschikbaarheid via de API kon weergeven. Deze functionaliteit maakte dus onderdeel uit van de overeenkomsten en het ontbreken daarvan leverde aanvankelijk een tekortkoming van RentBuddy op.

IT 5520

HR: ontbreken van verzuim bij wanprestatie sluit vordering uit onrechtmatige daad niet uit

Hoge Raad 17 jul 2026, IT 5520; ECLI:NL:HR:2026:1295 ([eiser] tegen Capgemini), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hr-ontbreken-van-verzuim-bij-wanprestatie-sluit-vordering-uit-onrechtmatige-daad-niet-uit

HR 17 juli 2026, IT 5520; ECLI:NL:HR:2026:1295 ([eiser] tegen Capgemini). [eiser] vordert uit hoofde van aan hem overgedragen vorderingen van Equihold schadevergoeding van Capgemini wegens tekortkomingen bij de ontwikkeling van de sportapplicatie 1-2 Focus. Capgemini was op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten verantwoordelijk voor de kwaliteit van de software, terwijl Equihold onder meer verantwoordelijk bleef voor de functionaliteit, planning en deadlines. Het gerechtshof Den Haag wees de vorderingen uit wanprestatie af omdat Capgemini niet in verzuim was geraakt. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Het hof mocht oordelen dat de toezegging van Capgemini in december 2006 om de gebreken binnen een half jaar op te lossen, gelet op de wijze van samenwerking, het voortdurende overleg, de RUP-methodiek en het ontbreken van een vastomlijnd eindproduct en tijdschema, geen voor de voldoening bepaalde termijn was in de zin van art. 6:83 onder a BW. Ook heeft het hof niet miskend dat een beroep op het ontbreken van verzuim ook tussen professionele partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. In dit geval achtte het hof daarvoor onvoldoende grond aanwezig. De klachten over de gestelde blijvende onmogelijkheid van nakoming en over het beroep van Capgemini op de contractuele beperking van aansprakelijkheid slagen evenmin.

IT 5518

Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 sep 2026, IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/inzage-in-bewijsbeslag-deels-toegestaan-bij-vermoeden-van-schending-geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.

IT 5513

Betalingsbewijs onvoldoende voor bewijs van betaling webhostingfactuur

Rechtbank Overijssel 1 sep 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/betalingsbewijs-onvoldoende-voor-bewijs-van-betaling-webhostingfactuur

Rb. Overijssel 1 september 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]). De kantonrechter wijst de vordering van Mijndomein B.V. tot betaling van een factuur voor webhostingdiensten toe. Het bestaan van de overeenkomst en de hoogte van de factuur waren niet in geschil; alleen de vraag of gedaagde de factuur al had betaald. Gedaagde beriep zich op betaling en legde een betalingsbewijs over. Dit is volgens de kantonrechter een bevrijdend verweer, zodat gedaagde de bewijslast draagt van de gestelde betaling. Mijndomein heeft het betalingsbewijs bij repliek gemotiveerd betwist en onder meer aangevoerd dat daarop onvoldoende gegevens stonden om de betaling te controleren, dat de tenaamstelling niet overeenkwam en dat betalingen buiten de voorgeschreven betaalroute met een uniek betaalkenmerk niet correct konden worden verwerkt en mogelijk automatisch werden teruggeboekt. Omdat gedaagde, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer op deze gemotiveerde betwisting heeft gereageerd, acht de kantonrechter het beroep op betaling onvoldoende onderbouwd. De hoofdsom van € 82,28 wordt daarom toegewezen.

IT 5471

IT-dienstverlener moet 80% terugbetalen na vernietiging overeenkomst wegens schending informatieplichten

Rechtbank Amsterdam 6 aug 2026, IT 5471; ECLI:NL:RBAMS:2026:8215 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/it-dienstverlener-moet-80-terugbetalen-na-vernietiging-overeenkomst-wegens-schending-informatieplichten

Rb. Amsterdam 6 augustus 2026, RB 4114; IT 5471; ECLI:NL:RBAMS:2026:8215 ([eisers] tegen [gedaagde]). In deze zaak vorderen [eisers] terugbetaling van bedragen die zij betaalden voor een IT-dienstverleningsovereenkomst met [gedaagde]. Partijen sloten de overeenkomst in februari 2022 bij [eisers] thuis. Het ging om een abonnement voor 36 maanden van € 99,99 per maand voor IT-gerelateerde diensten. In april 2025 ontvingen [eisers] een brief van Ziggo waaruit bleek dat Ziggo-diensten op hun adres via een onderneming van [gedaagde] werden geleverd, terwijl het die onderneming niet was toegestaan deze diensten door te verkopen of commercieel te exploiteren. [eisers] vernietigden daarop de overeenkomst wegens schending van de precontractuele informatieplichten en misleiding. [gedaagde] betwist de vernietiging en stelt onder meer dat de vordering is verjaard en dat hij bij vernietiging recht heeft op vergoeding voor de IT-diensten die hij gedurende drie jaar heeft geleverd. 

IT 5432

Elektronische handtekening voldoende betrouwbaar: taxatieovereenkomst heeft dwingende bewijskracht

Rechtbank Overijssel 28 jul 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/elektronische-handtekening-voldoende-betrouwbaar-taxatieovereenkomst-heeft-dwingende-bewijskracht

Rb. Overijssel 28 juli 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]). Tussen Fitrex en een consument is in geschil of een overeenkomst tot stand is gekomen voor de taxatie van diens woning. De consument betwist dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend en stelt dat de taxatiekosten al waren inbegrepen in het bedrag dat hij aan zijn hypotheekadviseur had betaald. De kantonrechter overweegt dat een elektronisch ondertekend geschrift als onderhandse akte dwingende bewijskracht kan hebben wanneer de gebruikte methode van ondertekening, gelet op het doel waarvoor zij is gebruikt en alle overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. Fitrex had de contactgegevens van de consument via een bij haar bekende tussenpersoon ontvangen, de overeenkomst naar diens e-mailadres gestuurd en bij de ondertekening onder meer het gebruikte e-mailadres, IP-adres, de datum en het tijdstip geregistreerd. Gelet op deze werkwijze en het doel van de overeenkomst – een eenmalige taxatie tegen een vooraf bepaalde vaste prijs – acht de kantonrechter de ondertekenmethode voldoende betrouwbaar. De overeenkomst heeft daarom tussen partijen dwingende bewijskracht van hetgeen daarin is vastgelegd, behoudens tegenbewijs. De consument heeft geen tegenbewijs geleverd of aangeboden en heeft bovendien bevestigd dat het geregistreerde e-mailadres bij hem in gebruik is. De kantonrechter concludeert dat een overeenkomst tussen Fitrex en de consument tot stand is gekomen en dat de consument € 645 voor de taxatie moet betalen. Dat hij mogelijk met zijn hypotheekadviseur had afgesproken dat de taxatiekosten in diens vergoeding waren inbegrepen, maakt dit niet anders, omdat Fitrex juridisch buiten die afspraak staat.

IT 5366

Dynamisch streamingaanbod kwalificeert als digitale dienst

HvJ EU 9 jul 2026, IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation), https://www.itenrecht.nl/artikelen/dynamisch-streamingaanbod-kwalificeert-als-digitale-dienst

HvJ EU 9 juli 2026, RB 4061; IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich tegen Verein für Konsumenteninformation). Sky Österreich biedt streamingabonnementen aan waarmee consumenten via een hyperlink of applicatie televisieprogramma’s live, op aanvraag en in bepaalde gevallen na download offline kunnen bekijken. Bij het online afsluiten van een abonnement moeten consumenten ermee instemmen dat Sky al tijdens de herroepingstermijn met de uitvoering begint en erkennen dat zij daardoor hun herroepingsrecht verliezen. De Oostenrijkse consumentenorganisatie VKI bestrijdt dit beding. Volgens VKI is het streamingabonnement geen levering van digitale inhoud, maar een digitale dienst. De uitzondering op het herroepingsrecht voor niet op een materiële drager geleverde digitale inhoud uit artikel 16, eerste alinea, onder m), van Richtlijn 2011/83 zou daarom niet van toepassing zijn.

IT 5359

Kantonrechter toetst ambtshalve bestelknop, informatieplichten en mogelijk oneerlijke ontbindingsbedingen bij fietslease

Rechtbank Noord-Holland 2 jul 2026, IT 5359; ECLI:NL:RBNHO:2026:8051 (Friesland Lease B.V. tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/kantonrechter-toetst-ambtshalve-bestelknop-informatieplichten-en-mogelijk-oneerlijke-ontbindingsbedingen-bij-fietslease

Rb. Noord-Holland 2 juli 2026, IT 5359; ECLI:NL:RBNHO:2026:8051 (Friesland Lease B.V. tegen [gedaagde]). Friesland Lease vordert in een verstekprocedure betaling van € 3.626,39 van een consument, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten, op grond van een op afstand gesloten leaseovereenkomst. Ook wanneer de consument niet verschijnt, moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of de handelaar heeft voldaan aan de consumentenrechtelijke informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW. Uit de stukken blijkt niet of de consument de overeenkomst heeft gesloten via een bestelknop of een soortgelijke functie en, zo ja, welke tekst daarop stond. Voor de beoordeling of aan artikel 6:230v lid 3 BW is voldaan, mag uitsluitend worden gekeken naar de woorden op de knop waarmee het bestelproces wordt afgerond. Uit die woorden moet ondubbelzinnig blijken dat het aanklikken een betalingsverplichting meebrengt. Friesland Lease krijgt daarom de gelegenheid hierover nadere informatie te verstrekken. Daarnaast heeft zij onvoldoende aangetoond dat de consument vóór het sluiten van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is geïnformeerd over de wijze van levering, het herroepingsrecht en de verplichting om bij uitoefening daarvan redelijke kosten te vergoeden. Het opnemen van die informatie in de algemene voorwaarden is onvoldoende wanneer de consument er vooraf niet ten minste uitdrukkelijk op is gewezen dat de informatie daarin staat. Ook het na het sluiten van de overeenkomst verstrekte contractuele afschrift bevatte deze informatie niet volledig. De kantonrechter kondigt aan dat aan deze schendingen een sanctie zal worden verbonden, maar bepaalt in dit tussenvonnis nog niet welke sanctie dat zal zijn.