Filter
  • Datum
  • Dossier
  • Instantie
zoeken

Dossiers

 
 
5.133 artikelen gevonden
IT 5313

Geen immateriële schadevergoeding na twee onrechtmatige marketingmails sportschool

Rechtbank Noord-Nederland 12 mei 2026, IT 5313; ECLI:N:RBNHO:2026:5128 ([verzoeker] tegen Saints & Stars), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-immateriele-schadevergoeding-na-twee-onrechtmatige-marketingmails-sportschool

Rb. Noord-Holland 12 mei 2026, IT&Recht 5313; ECLI:N:RBNHO:2026:5128 ([verzoeker] tegen Saints & Stars). In deze zaak verzoekt [verzoeker] de Rechtbank Noord-Holland om Saints & Stars te veroordelen tot betaling van € 750 aan immateriële schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. Nadat [verzoeker] zijn lidmaatschap had opgezegd en Saints & Stars had verzocht zijn persoonsgegevens te verwijderen, ontving [verzoeker] alsnog twee algemene marketingmails van de sportschool. Aanvankelijk verzoekt [verzoeker] daarnaast om een bevel tot definitieve verwijdering van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 17 AVG. De rechtbank stelt eerst vast dat [verzoeker] in zijn verzoek kan worden ontvangen. De zeswekentermijn van artikel 35 lid 2 UAVG geldt uitsluitend voor verzoeken die zijn gebaseerd op de rechten uit artikel 15 tot en met 22 AVG en niet voor een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. [Verzoeker] heeft zijn verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk ingetrokken, zodat alleen het verzoek om immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. Ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens oordeelt de rechtbank dat Saints & Stars de gegevens van [verzoeker] weliswaar rechtmatig mocht bewaren voor de afwikkeling van de overeenkomst en om te voldoen aan haar fiscale bewaarplicht, maar dat deze gegevens niet mochten worden gebruikt voor marketingdoeleinden. Niet in geschil is dat [verzoeker] daarvoor geen toestemming had gegeven en dat de persoonsgegevens na de opzegging niet voor dat doel bewaard mochten blijven. Voor de twee marketingmails van 9 en 28 september 2025 ontbreekt dan ook een geldige verwerkingsgrondslag als bedoeld in artikel 6 AVG. De verzending van deze marketingmails is daarom in strijd met artikel 6 AVG en daarmee onrechtmatig.

IT 5312

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rechtbank Amsterdam 11 jun 2026, IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

IT 5311

Artikel door Gijs van Berkel, Holla Legal & Tax.

AI-verordening: nu al op de schop (de Digitale Omnibus inzake AI en de gevolgen voor fundamentele rechten en vrijheden)

Artikel door Gijs van Berkel. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-2.

De kogel is door de kerk. Terwijl de AI-verordening nog niet volledig in werking is getreden, stemde het Europees Parlement op 16 juni 2026 in met de aanpassingen aan de AI-verordening in het kader van de Digitale Omnibus. De AI-verordening zou volledig in werking treden op 2 augustus 2026, maar nog vóór die datum voert de Europese wetgever de wijzigingen door.

‘Orde in de chaos’; zo lijkt de Digitale Omnibus gepresenteerd te worden. Met dit pakket probeert de Europese Commissie de snel gegroeide hoeveelheid digitale regelgeving binnen de Europese Unie beter op elkaar af te stemmen. Het plan is helder: minder overlappingen, minder inconsistenties en meer ruimte voor innovatie.[1] Voor deze doeleinden liggen er maar liefst twee Omnibus-pakketten: de Digital Omnibus, die onder meer de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’)[2], de Dataverordening[3], de ePrivacy‑richtlijn[4] en de NIS2‑richtlijn[5] aanpast, en een aparte Digital Omnibus on AI, die de AI‑verordening[6] onder handen neemt.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl

IT 5310

Artikel door Daniël de Weerd, Brinkhof.

De vibe coder maakt genoeg creatieve keuzes voor bescherming van zijn werk

Artikel door Daniël de Weerd. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-2.

Software is traditioneel kennis- en arbeidsintensief om te maken en wordt daarom door het auteursrecht beschermd. Auteursrechtelijke bescherming veronderstelt echter een menselijke maker. Nu steeds meer regels broncode niet meer door een mens, maar door een AI-model in opdracht van een mens worden geschreven (“vibe coding”), roept dat de vraag op in hoeverre deze bescherming nog mogelijk en zinvol is. In deze korte bijdrage betoog ik dat die bescherming mogelijk en zinvol blijft, omdat ook de vibe coder meer dan genoeg “vrije en creatieve keuzes” maakt die het Hof van Justitie vereist.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl

IT 5309

Cryptobeurs moet KYC-gegevens en transactieoverzichten verstrekken na crypto-oplichting

Rechtbank Midden-Nederland 3 jun 2026, IT 5309; ECLI:NL:RBMNE2026:3037 (([eisende partij] tegen Bitfinex)), https://www.itenrecht.nl/artikelen/cryptobeurs-moet-kyc-gegevens-en-transactieoverzichten-verstrekken-na-crypto-oplichting

Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, IT&Recht 5309; ECLI:NL:RBMNE2026:3037 ([eisende partij] tegen Bitfinex). In deze zaak staat de vraag centraal of een slachtoffer van crypto-oplichting in kort geding kan afdwingen dat een buitenlandse cryptobeurs identificerende gegevens van accounthouders en transactiegegevens van betrokken wallet-adressen verstrekt. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland beantwoordt die vraag bevestigend en veroordeelt Bitfinex tot afgifte van zowel de Know Your Customer (KYC)-gegevens als de volledige transactieoverzichten van zeven wallet-adressen. [eisende partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van oplichting waarbij hij cryptovaluta heeft overgemaakt naar verschillende wallet-adressen die volgens hem toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. Om de identiteit van de oplichters te kunnen achterhalen en zijn schade te verhalen, vordert hij in kort geding afgifte van de KYC-gegevens van de accounthouders van deze adressen, alsmede de volledige transactiegeschiedenis van de betreffende accounts. Bitfinex, bestaande uit de vennootschappen IFINEX Inc., BFXNA Inc. en BFXWW Inc., verschijnt niet in de procedure. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of verstek kan worden verleend. De rechtbank stelt vast dat het exploot van de dagvaarding is uitgebracht met inachtneming van het Haags Betekeningsverdrag, de Uitvoeringswet van dat verdrag en artikel 55 Rv. Niet is gebleken dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 en 2 van het Haags Betekeningsverdrag daadwerkelijk is betekend of in persoon aan Bitfinex is afgegeven. In beginsel staat dat aan verstekverlening in de weg. De voorzieningenrechter oordeelt toch dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag, dat in spoedeisende gevallen toestaat om verstek te verlenen zonder dat volledig aan de betekeningsvereisten is voldaan. Daarbij moet wel voldoende zijn gewaarborgd dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk heeft bereikt en dat deze voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Volgens de rechtbank is aan die voorwaarden voldaan. [eisende partij] heeft toegelicht dat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen, voor een poging zijn schade te verhalen en voor het vervolg van de strafrechtelijke procedure.

IT 5308

Fraudeverlies van ruim één miljoen euro blijft voor rekening van onderneming: tussenpersoon niet aansprakelijk

Rechtbank Amsterdam 20 aug 2025, IT 5308; ECLI:NL:RBAMS:2025:11465 ((CF Holdings tegen Frontyrion en [gedaagde 2])), https://www.itenrecht.nl/artikelen/fraudeverlies-van-ruim-een-miljoen-euro-blijft-voor-rekening-van-onderneming-tussenpersoon-niet-aansprakelijk

Rb. Amsterdam 20 augustus 2025, IT&Recht 5308; ECLI:NLRBAMS:2025:11465 (CF Holdings tegen Frontyrion en [gedaagde 2]). De Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat betalingsbemiddelaar Frontyrion niet aansprakelijk is voor de schade die CF Holdings heeft geleden als gevolg van factuurfraude via een gehackt e-mailaccount. Volgens de rechtbank trad Frontyrion uitsluitend op als tussenpersoon tussen CF Holdings en betaaldienstverlener Currencycloud en rustte op haar geen verplichting om betaalopdrachten inhoudelijk te controleren of frauduleuze transacties te detecteren. Ook de bestuurder van Frontyrion kan geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Alle vorderingen van CF Holdings worden afgewezen. CF Holdings, een dochtermaatschappij van een Indiase producent van verpakkings- en industriële folies, maakte sinds 2021 gebruik van de diensten van Frontyrion voor betalingen aan haar Duitse logistieke partner Soli-Trans. Frontyrion hield zich volgens het handelsregister bezig met het aanbieden van online platformen en aanverwante diensten en werkte daarbij samen met betaaldienstverlener Currencycloud, die het daadwerkelijke betaalplatform exploiteerde. In augustus en september 2023 werd een e-mailaccount van een medewerker van administratiekantoor Valuecent gehackt. Vanuit dat account werden aan CF Holdings meerdere valse betaalinstructies gestuurd. Eerst werd een Pools bankrekeningnummer doorgegeven dat zogenaamd aan Soli-Trans toebehoorde. Nadat twee betalingen naar dat rekeningnummer door de Poolse bank waren teruggestort, volgde een nieuw bericht met een Portugees bankrekeningnummer. Vervolgens voerde CF Holdings meerdere betalingen uit op basis van deels bestaande en deels verzonnen facturen. Uiteindelijk werd in totaal € 1.063.762,91 overgemaakt naar een rekening van een onbekende derde. De fraude kwam pas op 28 september 2023 aan het licht. Nadat de fraude was ontdekt, verzocht CF Holdings Frontyrion om de betalingen terug te halen en de ontvangende bank te laten overgaan tot bevriezing van de rekening. Frontyrion schakelde daarop Currencycloud in, die via het SWIFT-netwerk zogenoemde recall-verzoeken deed. Deze pogingen om de gelden terug te halen hadden echter geen succes. CF Holdings stelde daarop Frontyrion en een van haar bestuurders aansprakelijk. Primair werd schadevergoeding gevorderd op grond van onrechtmatige daad en subsidiair wegens wanprestatie. Volgens CF Holdings was Frontyrion feitelijk een betaaldienstverlener die haar werkzaamheden had uitbesteed aan Currencycloud. Frontyrion zou verschillende waarschuwingssignalen hebben gemist, onvoldoende onderzoek hebben verricht naar mislukte betalingen en zich na ontdekking van de fraude onvoldoende hebben ingespannen om de gelden terug te halen. Daarnaast vorderde CF Holdings vergoeding van de kosten van een forensisch onderzoek. De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling bepalend is welke taken Frontyrion op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst had en welke rol zij daadwerkelijk vervulde. Daarbij gaat de rechtbank uit van de zogenoemde Frontyrion Service Agreement. Dat deze overeenkomst niet was ondertekend, doet daar volgens de rechtbank niet aan af, omdat CF Holdings niet heeft toegelicht welke andere afspraken partijen zouden hebben gemaakt. Uit die overeenkomst volgt volgens de rechtbank dat Frontyrion uitsluitend optrad als business introducer voor betaaldienstverleners. Cliënten moesten afzonderlijk een overeenkomst sluiten met de betaaldienstverlener zelf. Frontyrion verrichtte geen betaaldiensten in eigen naam, maar hield zich bezig met onboarding, eerstelijns klantenservice en ondersteuning van de dienstverlening door de betaaldienstverlener. Vaststaat dat Currencycloud de betaaldiensten uitvoerde en over de vereiste vergunning beschikte. De stelling van CF Holdings dat Frontyrion zelf als betaaldienstverlener moet worden aangemerkt, wordt daarom verworpen. Ook het beroep op verplichtingen uit de Wet op het financieel toezicht en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme slaagt niet. Volgens de rechtbank strekken deze toezichtsnormen niet tot bescherming van een individuele rekeninghouder tegen schade als gevolg van factuurfraude zoals hier aan de orde. Verder overweegt de rechtbank dat de dienstverlening van Frontyrion zich beperkte tot onboarding en communicatie tussen CF Holdings en Currencycloud.

IT 5307

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026, IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://www.itenrecht.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

IT 5306

Alles over deepfakes: definities, rechten, plichten en meer. Dit leerde het IE Zomerforum 2026 ons


Deepfakes zijn in rap tempo uitgegroeid tot een van de meest besproken toepassingen van generatieve AI. Steeds gemakkelijker kunnen afbeeldingen, video's en audiobestanden worden gegenereerd waarin personen, stemmen en gebeurtenissen overtuigend worden nagebootst. Of deze ontwikkeling ook wenselijk is, blijkt een andere vraag.

Tijdens het IE Zomerforum 2026 stond dit onderwerp centraal. Aan de hand van bijdragen van Daniël de Weerd, Dirk Visser, Etienne Valk, Jet Hootsmans en Elles Masselink werd uitgebreid stilgestaan bij de juridische stand van zaken rond deepfakes. Daarbij kwamen zowel de Europese AI Act als het in Nederland geïnitieerde wetsvoorstel aan bod. Ook werd aandacht besteed aan de belangen van makers en andere betrokkenen.

IT 5303

Criteo handelde onrechtmatig door tracking cookies zonder toestemming te plaatsen

Rechtbank Rotterdam 19 nov 2025, IT 5303; ECLI:NL:RBROT:2025:14138 (Criteo tegen [persoon A]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/criteo-handelde-onrechtmatig-door-tracking-cookies-zonder-toestemming-te-plaatsen

Rb. Rotterdam 19 november 2025, IT 5303; ECLI:NL:RBROT:2025:14138 (Criteo tegen [persoon A]). De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat advertentietechnologiebedrijf Criteo onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldige toestemming tracking cookies te plaatsen op de apparaten van een individuele internetgebruiker. De rechtbank wijst de vordering van Criteo af om een eerder door het gerechtshof Amsterdam opgelegd verbod op te heffen en verklaart voor recht dat Criteo jegens de gebruiker onrechtmatig heeft gehandeld. Een gevorderde immateriële schadevergoeding wordt echter afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat daadwerkelijk schade is geleden. De zaak volgt op eerdere procedures tussen Criteo en een particuliere gebruiker over het plaatsen van tracking cookies via websites van partners van Criteo. Deze cookies worden gebruikt voor gepersonaliseerde advertenties en real-time advertentieveilingen. De gebruiker stelde dat Criteo via partnerwebsites tracking cookies plaatste zonder rechtsgeldige toestemming, in strijd met de AVG en artikel 11.7a Telecommunicatiewet. Eerder had het gerechtshof Amsterdam Criteo al verboden tracking cookies op de apparaten van de gebruiker te (laten) plaatsen zonder voorafgaande geldige toestemming. In de bodemprocedure voerde Criteo aan dat zij inmiddels uitgebreide technische, organisatorische en contractuele maatregelen had getroffen om naleving van de privacyregels te waarborgen. Volgens Criteo kon zij echter niet volledig uitsluiten dat partners fouten maken of regels overtreden. De rechtbank volgt dat verweer niet. Zij benadrukt dat de bescherming van persoonsgegevens een grondrecht is en dat de verantwoordelijkheid van Criteo als verwerkingsverantwoordelijke zich mede uitstrekt tot werkzaamheden die zij aan partners heeft uitbesteed. Dat volledige naleving praktisch lastig is, doet volgens de rechtbank niet af aan die verantwoordelijkheid. Daarom blijft het eerder opgelegde verbod in stand.

IT 5305

Geen ontbinding van softwarelicentieovereenkomst: licentiegever niet verantwoordelijk voor mislukte implementatie door derde

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026, IT 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-ontbinding-van-softwarelicentieovereenkomst-licentiegever-niet-verantwoordelijk-voor-mislukte-implementatie-door-derde

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IT&R 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]). De Rechtbank Midden-Nederland wijst de vorderingen van een zakelijke afnemer van softwarelicenties af, omdat de licentiegever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de licentieovereenkomst. Partijen hadden op 22 december 2023 een overeenkomst gesloten voor de afname van twintig softwarelicenties voor een looptijd van vijf jaar, van 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2029. Voor de implementatie van de software had de afnemer daarnaast een afzonderlijke overeenkomst gesloten met een implementatiepartner. Die implementatie duurde lang en mislukte uiteindelijk, waarna de afnemer nooit met de software is gaan werken en de licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbond. De rechtbank oordeelt echter uitsluitend over de verhouding tussen de afnemer en de licentiegever, omdat zij zich eerder onbevoegd had verklaard ten aanzien van het geschil met de implementatiepartner. Uit de licentieovereenkomst volgde volgens de rechtbank alleen dat de licentiegever toegang tot de software moest verschaffen. Onvoldoende was onderbouwd dat de licentiegever daarnaast verantwoordelijk was voor de implementatie, voor het handelen van de implementatiepartner of voor een functionerend eindresultaat binnen de bedrijfsprocessen van de afnemer. Dat de licentiegever de implementatiepartner had aangedragen, maakt dat niet anders, omdat de afnemer twee afzonderlijke overeenkomsten met twee verschillende partijen had gesloten en als zakelijke partij, bijgestaan door een ervaren projectmanager, het verschil tussen licentieverlening en implementatie had moeten begrijpen.