DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IT 5218

Exploitant datacenter moet nutscontracten op eigen naam zetten

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IT 5218; ECLI:NL:RBAMS:2026:3686 (Onyx tegen Carrier 2), https://www.itenrecht.nl/artikelen/exploitant-datacenter-moet-nutscontracten-op-eigen-naam-zetten

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IT 5218; ECLI:NL:RBAMS:2026:3686 (Onyx tegen Carrier 2). In dit kort geding vordert verhuurder Onyx dat huurder Carrier 2, die een datacenter exploiteert, de contracten voor elektriciteit, water en de transformator direct op eigen naam zet. De huurovereenkomst bepaalde dat dit moest gebeuren "zodra dit mogelijk is", maar de huurder stelde dat dit pas het geval zou zijn nadat Onyx alle overeengekomen werkzaamheden, zoals de stroomverzwaring naar 2 MW, volledig had afgerond. De voorzieningenrechter verwierp dit standpunt en oordeelde dat de tekst van de overeenkomst geen enkel aanknopingspunt biedt voor een koppeling tussen de voltooiing van deze werkzaamheden en de overname van de nutscontracten. Bovendien achtte de rechter de huidige situatie onredelijk: de huurder maakt gebruik van het pand en de elektriciteit voor haar datacenter, terwijl de verhuurder maandelijks tussen de €13.000 en €18.000 aan verbruikskosten moet voorfinancieren.

IT 5217

Prijswijziging Vattenfall oneerlijk; ruime wijzigingsbevoegdheid onvoldoende transparant

Rechtbank Amsterdam 10 apr 2026, IT 5217; ECLI:NL:RBAMS:2026:3660 (([eiser ] tegen VATTENFALL)), https://www.itenrecht.nl/artikelen/prijswijziging-vattenfall-oneerlijk-ruime-wijzigingsbevoegdheid-onvoldoende-transparant

Rb. Amsterdam 10 april 2026, IT5217, ECLI:NL:RBAMS:2026:3660 ([eiser ] tegen VATTENFALL). In deze zaak staat de vraag centraal of een prijswijzigingsbeding in de algemene voorwaarden van een energieleverancier als oneerlijk moet worden aangemerkt. De consument ([eiser]) die na afloop van een vaste contractperiode automatisch is overgezet naar een variabel contract voor onbepaalde tijd, overeenkomstig de toepasselijke productvoorwaarden. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden 2017 van toepassing, waarin Vattenfall een ruime bevoegdheid is toegekend om leveringstarieven gedurende de looptijd te wijzigen op basis van onder meer marktomstandigheden en kostenontwikkelingen. [eiser] vordert vernietiging van de per 1 april en 1 juli 2022 doorgevoerde prijswijzingen, stellende dat daaraan ten grondslag liggende prijswijzigingsbeding oneerlijk is. De kantonrechter leest deze vordering als mede gericht tegen het beding zelf en toetst de (on)eerlijkheid daarvan ambtshalve. Het beroep van Vattenfall op verjaring wordt verworpen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-776/19–C-782/19 (BNP Paribas Personal Finance) overweegt de kantonrechter dat een vordering tot vernietiging van een oneerlijk beding niet kan verjaren. Voor eventuele restitutievorderingen geldt dat de verjaringstermijn pas aanvangt wanneer de consument bekend is met het mogelijk oneerlijke karakter van het beding. Vaststaat dat sprake is van een consumentenovereenkomst waarin gebruik wordt gemaakt van niet-onderhandelde algemene voorwaarden, zodat Richtlijn 93/13/EG van toepassing is. Het verweer dat het prijswijzigingsbeding een kernbeding betreft, faalt. Hoewel het beding grammaticaal begrijpelijk is, is het inhoudelijk zodanig ruim geformuleerd dat de consument geen reële inschatting kan maken van de economische gevolgen. Daarmee wordt niet voldaan aan de transparantie-eis, zodat toetsing aan de Richtlijn openstaat.

IT 5208

Gebrekkige bestelknop leidt tot vernietiging energiecontract, maar wel recht op gedeeltelijke vergoeding door schuld aan identiteitsfraude

Rechtbank Rotterdam 13 mrt 2026, IT 5208; ECLI:NL:RBROT:2026:2641 (Innova tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/gebrekkige-bestelknop-leidt-tot-vernietiging-energiecontract-maar-wel-recht-op-gedeeltelijke-vergoeding-door-schuld-aan-identiteitsfraude

Rb. Rotterdam 13 maart 2026, RB 3999; IT 5208; ECLI:NL:RBROT:2026:2641 (Innova tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat een via internet gesloten energieovereenkomst vernietigbaar is wegens een ondeugdelijke bestelknop, maar dat de energieleverancier wel recht heeft op een gedeeltelijke vergoeding voor de geleverde energie. De zaak draaide om een overeenkomst tussen Innova Energie en [gedaagde], een consument, die betwistte dat hij de overeenkomst had gesloten en stelde dat sprake was van identiteitsfraude. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Voor zover sprake is van identiteitsfraude, komt deze onder de gegeven omstandigheden voor rekening van de consument, nu hij onvoldoende zorgvuldig met zijn persoonsgegevens en bankgegevens is omgegaan.

IT 5204

Samenwerking eventtechbedrijven: Amplify geen product van de samenwerking dus geen onrechtmatige toe-eigening of onrechtmatige concurrentie

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov), https://www.itenrecht.nl/artikelen/samenwerking-eventtechbedrijven-amplify-geen-product-van-de-samenwerking-dus-geen-onrechtmatige-toe-eigening-of-onrechtmatige-concurrentie

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23471; IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov). De Rechtbank Amsterdam wijst alle vorderingen van Howler af in haar geschil met Woov over de najaar 2022 gestarte samenwerking, die zag op de integratie van Howlers ticketing- en cashlessdiensten in de bestaande Woov-app en op het toewerken naar een mogelijke fusie. Volgens Howler had Woov het huidige product Amplify onrechtmatig aan de samenwerking onttrokken, omdat dit product door en voor de samenwerking zou zijn ontwikkeld en daarom als gezamenlijke corporate opportunity moest worden beschouwd. De rechtbank volgt dat niet. Zij oordeelt dat uit de Partnership Agreement niet blijkt dat partijen waren overeengekomen om naast de integratie van bestaande diensten ook een geheel nieuw product te ontwikkelen. Verder heeft Woov volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij Amplify zelfstandig buiten de samenwerking om heeft ontwikkeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Woov Amplify in juni 2023 als nieuwe propositie aan Howler presenteerde, dat partijen contractueel hadden vastgelegd dat intellectuele eigendom toekomt aan de partij die het desbetreffende product ontwikkelt, en dat in de EPA Term Sheet 2023 uitdrukkelijk is opgenomen dat alle IP op Amplify en Woov-diensten bij Woov ligt. Ook de door Howler betaalde exclusiviteitsvergoeding bewijst volgens de rechtbank niet dat Howler aan de ontwikkeling van Amplify heeft meebetaald, omdat die vergoeding zag op de afgesproken samenwerkingsdiensten, met name de integratie, en niet op de ontwikkeling van een nieuw product. De rechtbank oordeelt bovendien dat Amplify wezenlijk verschilt van de geïntegreerde Woov-app: Amplify is een AI-gedreven enterprise product, technologisch anders ingericht, agnostisch ten aanzien van ticketing- en cashlessaanbieders en alleen op de zakelijke markt gericht. Dat Amplify tijdens de samenwerking en in het kader van de fusiebesprekingen aan klanten en aandeelhouders is gepresenteerd, maakt het nog niet tot een product van de samenwerking, nu de rechtbank nadrukkelijk onderscheid maakt tussen de contractuele samenwerking en het parallelle fusietraject. Daarom is geen sprake van onrechtmatige toe-eigening.

IT 5196

Kort geding biedt geen oplossing voor complex ICT-project: partijen naar bodemprocedure

Rechtbank Den Haag 6 mrt 2026, IT 5196; ECLI:NL:RBDHA:2026:6465 (Agnicio tegen Delfluent), https://www.itenrecht.nl/artikelen/kort-geding-biedt-geen-oplossing-voor-complex-ict-project-partijen-naar-bodemprocedure

Rb. Den Haag 6 maart 2026, IT 5196; ECLI:NL:RBDHA:2026:6465 (Agnicio tegen Delfluent). In dit kort geding staat een geschil centraal over een omvangrijk ICT-project gericht op de ontwikkeling van AI-toepassingen voor waterzuiveringsinstallaties. Zowel de vorderingen van de IT-dienstverlener (hierna: Agnicio) tot betaling van openstaande facturen en meerwerk, als de tegenvorderingen van opdrachtgever Delfluent tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen worden afgewezen. Wel worden een verbod op het gebruik van data en de opheffing van gelegde beslagen toegewezen. Partijen sloten een overeenkomst voor een AI-project met een geschatte waarde van €610.000, waarbij discussie ontstond over de exacte inhoud van de opdracht, de betalingsvoorwaarden en de omvang van het werk. Agnicio factureerde in totaal 100% van het bedrag, waarvan Delfluent 75% betaalde. De laatste 25% en aanvullende kosten (meerwerk en cloudkosten) bleven onbetaald. Agnicio vorderde betaling van deze bedragen en stelde dat sprake was van een overeenkomst op basis van nacalculatie en dat Delfluent ten onrechte de overeenkomst had ontbonden. Delfluent betwistte dit en voerde aan dat de overeenkomst nog niet (volledig) was uitgevoerd, dat facturen nog niet opeisbaar waren en dat reeds betaalde bedragen deels onverschuldigd waren.

IT 5198

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

IT 5192

HR: pasfoto op zichzelf geen biometrisch gegeven; prejudiciële vragen gesteld

Hoge Raad 13 mrt 2026, IT 5192; ECLI:NL:HR:2026:392 ([de kaarthoudster] tegen ICS), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hr-pasfoto-op-zichzelf-geen-biometrisch-gegeven-prejudiciele-vragen-gesteld

HR 13 maart 2025, IT 5192; ECLI:NL:HR:2026:392 ([de kaarthoudster] tegen ICS). De Hoge Raad oordeelt in een tussenarrest over de verhouding tussen de Wwft en de AVG bij het opslaan van pasfoto’s in het kader van cliëntenonderzoek door financiële instellingen. Daarnaast kondigt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan aan het Hof van Justitie EU.De zaak draait om de vraag of International Card Services (hierna: ICS) de creditcardovereenkomst met [de kaarthoudster] mocht opzeggen nadat zij weigerde mee te werken aan online identificatie, waarbij een kopie van haar identiteitsbewijs en een selfie moesten worden aangeleverd en opgeslagen. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het opslaan van een pasfoto of selfie op zichzelf geen verwerking van biometrische gegevens vormt in de zin van de AVG [IT 4806]. Daarvan is pas sprake als de foto wordt onderworpen aan specifieke technische verwerking (zoals gezichtsherkenning) met het oog op unieke identificatie. Het enkele opslaan van een foto valt daar niet onder. De Hoge Raad volgt hier ook de conclusie van de A-G [IT 4813]. 

IT 5191

WhatsApp-berichten onderbouwen uren IT-consultant na ransomware-aanval

Rechtbank Amsterdam 18 mrt 2026, IT 5191; ECLI:NL:RBAMS:2026:2896 (Responders tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/whatsapp-berichten-onderbouwen-uren-it-consultant-na-ransomware-aanval

Rb. Amsterdam 18 maart 2026, IT 5191; ECLI:NL:RBAMS:2026:2896 (Responders tegen [gedaagden]). [gedaagde] moet ruim €92.000 betalen aan Responders voor werkzaamheden na een ransomware-aanval. Volgens de rechtbank is geen sprake van ontbinding of tekortkoming en zijn de gefactureerde uren voldoende onderbouwd. Na een aanval door de Lockbit-groep schakelde [gedaagde] Responders in voor onder meer onderhandelingen met de hackers, begeleiding van een eventuele betaling en het veiligstellen van data. Partijen sloten een overeenkomst op basis van een uurtarief. Uiteindelijk werd het losgeld niet via Responders, maar via een derde partij betaald. [gedaagde] stelde dat de overeenkomst enkel zag op het betalen van $200.000 aan losgeld en dat deze was ontbonden toen Responders die betaling niet zelf uitvoerde. Daarnaast betwistte zij de omvang van de gefactureerde uren.

IT 5177

Geen tekortkoming van netbeheerder wegens uitblijven tijdige verzwaring van elektriciteitsaansluiting; geen bindende oplevertoezegging en geen overschrijding van een redelijke termijn

Rechtbank Oost-Brabant 18 mrt 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-tekortkoming-van-netbeheerder-wegens-uitblijven-tijdige-verzwaring-van-elektriciteitsaansluiting-geen-bindende-oplevertoezegging-en-geen-overschrijding-van-een-redelijke-termijn

Rb. Oost-Brabant 18 maart 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis). In deze bodemzaak vorderde een taxibedrijf schadevergoeding van Enexis Netbeheer B.V. omdat de verzwaring van haar elektriciteitsaansluiting en de beschikbaarstelling van voldoende transportvermogen volgens haar te laat waren gerealiseerd voor de inzet van 50 elektrische bussen. Het taxibedrijf had op 31 januari 2023 een aanvraag gedaan voor wijziging van de bestaande aansluiting van 3x250 ampère naar een aansluiting van 1.750 kVA op haar terrein. Op 13 april 2023 ondertekende zij de offerte van Enexis. In die offerte stond als gewenste opleverdatum 3 juli 2023, maar ook dat de verwachte levertijd van 33 weken slechts een indicatie was, dat daaraan geen rechten konden worden ontleend en dat de levertijd langer zou worden indien eerst een netuitbreiding nodig was. Na een telefoongesprek bevestigde Enexis op 19 april 2023 per e-mail dat de voorkeursdatum van 3 juli 2023 niet haalbaar was, dat de datum “nu [was] gezet op week 2 van 2024” en dat voor realisatie van de aansluiting ook een netuitbreiding nodig was. Het taxibedrijf stelde dat Enexis daarmee had toegezegd, althans het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt, dat de aansluiting in week 2 van 2024 gereed zou zijn, en dat zij in dat vertrouwen op 10 juli 2023 50 elektrische bussen had besteld. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres haar oorspronkelijke beroep op overschrijding van de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 tijdens de mondelinge behandeling had verlaten, gelet op het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 april 2025, waarin die termijn buiten toepassing is gelaten wegens strijd met artikel 47 Handvest. De zaak moest daarom worden beoordeeld op de gewijzigde grondslag dat Enexis onjuiste of misleidende informatie zou hebben verstrekt en de aansluiting niet binnen een redelijke termijn zou hebben gerealiseerd.

IT 5145

Geen rechtsgeldige ontbinding van overeenkomst tot appontwikkeling wegens ontbreken fatale termijn

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 aug 2025, IT 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-rechtsgeldige-ontbinding-van-overeenkomst-tot-appontwikkeling-wegens-ontbreken-fatale-termijn

Hof 's-Hertogenbosch 19 augustus 2025, IT&R 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler). In dit hoger beroep stond een overeenkomst centraal waarbij [X B.V.] aan Myler Media B.V. opdracht had gegeven een app en een cms te ontwikkelen voor een digitale restaurantgids met een in-app purchase-model. In het vooraf opgestelde plan van aanpak was als “target date” of gewenste releasedatum 26 maart 2020 genoemd, maar partijen waren het erover eens dat daarmee géén fatale termijn was overeengekomen. Na de start van het project op 5 november 2019 volgde intensief overleg over ontwikkeling, planning en inhoud van de app. [X B.V.] schoof de beoogde releasedatum later zelf op naar 19 april 2020 en legde op 6 februari 2020 per e-mail vast dat op 27 februari een eerste testversie gereed zou zijn, dat eventuele technische en inhoudelijke aanpassingen daarna “zo spoedig mogelijk” zouden worden verwerkt en dat men “alles op alles” zou zetten om de app bij voorkeur uiterlijk 3 maart 2020 bij Apple aan te leveren. Myler reageerde daarop dat geen garanties konden worden gegeven voor een volledig crashvrije app. Nadat op 27 februari 2020 een testversie was gepresenteerd, meende [X B.V.] dat nog verschillende gebreken bestonden. Op 29 februari 2020 beëindigde zij de samenwerking, onder meer nadat was gebleken dat de testversie per ongeluk in de Google Play Store was geplaatst, en op 3 maart 2020 stelde zij Myler alsnog een laatste termijn tot 10 maart 2020 om de app volledig af te ronden, op straffe van buitengerechtelijke ontbinding. Myler betwistte dat zij tekortgeschoten was, reageerde inhoudelijk op de lijst met openstaande punten en wees erop dat voor afronding nog input, keuzes en toegang van [X B.V.] nodig waren. Nadat die uitbleven, ontbond Myler op 26 mei 2020 de overeenkomst partieel voor zover het de nog uit te voeren werkzaamheden betrof en vorderde zij betaling van het resterende loon. De rechtbank had geoordeeld dat de ontbinding door [X B.V.] geen werking had en dat de partiële ontbinding door Myler wel rechtsgeldig was; in hoger beroep bestreed [X B.V.] dat met onder meer grieven over ontbinding, zorgplichtschending, onjuiste advisering, dwaling, bedrog en onrechtmatige daad.