DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

IT 5329

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

Gerechtshof Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5329; De Telegraaf tegen FIO (De Telegraaf tegen FIO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bekrachtigt-rectificatie-wegens-onrechtmatige-column-over-vermeende-hamas-relatie-fio

Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.

IT 5327

Artikel 196 Rv biedt Dynamiet toegang tot Google-gegevens over zoekresultaten

Rechtbank Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/artikel-196-rv-biedt-dynamiet-toegang-tot-google-gegevens-over-zoekresultaten

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IT&Recht 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google). In deze zaak tussen Dynamiet en Google (Google Netherlands en Google Ireland) staat de vraag centraal of Dynamiet op grond van artikel 196 Rv inzage kan verkrijgen in gegevens waarover Google beschikt met betrekking tot maatregelen die de zichtbaarheid van haar website in Google Search tussen februari en april 2025 hebben beïnvloed. Dynamiet wil deze informatie gebruiken om haar rechtspositie te bepalen en te beoordelen of aanleiding bestaat een civielrechtelijke procedure tegen Google te starten. De rechtbank wijst het verzoek grotendeels toe. De rechtbank stelt haar internationale bevoegdheid vast op grond van Brussel I-bis en oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is. Dynamiet exploiteert een website waarop consumenten informatie kunnen vinden over het terugvorderen van verliezen bij aanbieders van online kansspelen en verleent daarnaast juridische dienstverlening aan consumenten die dergelijke vorderingen willen instellen. Volgens Dynamiet is de vindbaarheid van haar website en een aantal specifieke webpagina's begin 2025 aanzienlijk afgenomen. Nadat een eerder kort geding waarin herstel van de zichtbaarheid werd gevorderd was afgewezen, verzocht Dynamiet Google om gegevens te verstrekken over eventuele technische of inhoudelijke maatregelen die de ranking, filtering, blokkering of verwijdering van haar webpagina's uit de zoekresultaten hadden beïnvloed. Google liet weten geen nadere informatie te verstrekken, voor zover zij daartoe al gehouden zou zijn. Dynamiet verzoekt vervolgens de rechtbank Google te bevelen inzage te geven in gegevens over de betrokken URL's en zoektermen, waaronder informatie over eventuele delisting, demotion, filtering of blokkering, de redenen en triggers voor dergelijke maatregelen, de vraag of deze handmatig of algoritmisch zijn toegepast, de duur daarvan en de interne communicatie, logbestanden en technische documentatie waarin deze maatregelen zijn vastgelegd. Daarnaast vraagt zij dat de gegevens in een digitaal en doorzoekbaar formaat worden verstrekt, voorzien van een leesbare toelichting op de logbestanden, en dat aan niet-nakoming een dwangsom wordt verbonden. Google verschijnt niet in de procedure en reageert evenmin op het verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over een mondelinge behandeling.

IT 5325

Rb. Noord-Holland: dagelijks online gokken verplichtte Kansino tot eerdere interventie

Rechtbank Noord-Nederland 28 jun 2026,, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 (([eiser] tegen Kansino)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-holland-dagelijks-online-gokken-verplichtte-kansino-tot-eerdere-interventie

Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 ([eiser] tegen Kansino). In deze zaak tussen [eiser] en Kansino staat de vraag centraal of de aanbieder van online kansspelen zijn zorgplicht op grond van de specifieke kansspelregelgeving heeft geschonden door niet tijdig in te grijpen bij signalen van problematisch speelgedrag. De kantonrechter oordeelt dat Kansino te laat heeft geïntervenieerd en veroordeelt de aanbieder tot betaling van € 1.650,- aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [eiser] nam tussen 18 juni en 12 juli 2022 deel aan online kansspelen van Kansino en verloor in die periode per saldo € 5.400,-. Volgens [eiser] had Kansino op grond van de destijds geldende regelgeving eerder moeten ingrijpen, omdat zijn speelgedrag duidelijke aanwijzingen vormde voor onmatige deelneming aan kansspelen of een risico op kansspelverslaving. Kansino betwistte dat dergelijke signalen aanwezig waren en stelde dat zij daarom niet tot interventie verplicht was. Ook werd de omvang van de gestelde schade betwist. Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, stelt hij vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Hoewel Kansino in Malta is gevestigd, heeft zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist. Daarnaast is Nederlands recht van toepassing. Voor de kansspelovereenkomst volgt dat uit de consumentenbeschermende bepalingen van het internationaal privaatrecht, omdat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en Kansino haar activiteiten mede op de Nederlandse markt richt. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt eveneens Nederlands recht, omdat de gestelde schade in Nederland is geleden. Bij de beoordeling van de zorgplicht sluit de kantonrechter aan bij het destijds geldende Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen en de bijbehorende Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Daaruit volgt dat een vergunninghouder verplicht is in te grijpen wanneer interne of externe signalen wijzen op onmatige deelneming aan kansspelen of op een risico op kansspelverslaving. Als voorbeelden van dergelijke signalen noemt de regelgeving onder meer een hoge of toenemende speelfrequentie. Omdat de regelgeving geen nadere invulling geeft aan het begrip "hoge speelfrequentie", acht de kantonrechter het noodzakelijk dit begrip concreet in te vullen.

IT 5323

HvJ EU: lidstaten mogen buitenlandse pornowebsites niet algemeen verplichten tot leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 jun 2026,, IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 ((WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-lidstaten-mogen-buitenlandse-pornowebsites-niet-algemeen-verplichten-tot-leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 juni 2026, IEF 23643; IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 (WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat). In deze gevoegde zaken staat de vraag centraal in hoeverre lidstaten regels mogen opleggen aan online diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Het Hof van Justitie buigt zich over de Franse regels die pornografische websites verplichten een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren om minderjarigen de toegang te ontzeggen, en over regels die aanbieders van navigatie- en verkeersapps verbieden informatie over bepaalde politiecontroles door te geven. Het Hof schetst daarbij uitvoerig de reikwijdte van het begrip “gecoördineerd gebied” in de Richtlijn elektronische handel, de verhouding tussen dat gecoördineerde gebied en de (beperkte) harmonisatie in hoofdstuk II en III, en de ruimte die lidstaten behouden om op te treden ter bescherming van fundamentele belangen zoals de waardigheid van minderjarigen, de openbare orde en de openbare veiligheid. De eerste zaak betreft twee Tsjechische ondernemingen die pornografische websites exploiteren. Op grond van Franse wetgeving mogen minderjarigen geen toegang hebben tot pornografische inhoud. Een eenvoudige verklaring van de gebruiker dat hij of zij meerderjarig is, volstaat daarvoor niet. De Franse strafbepaling verbiedt in algemene en abstracte bewoordingen het aanbieden van bepaalde content die door minderjarigen kan worden gezien, en wordt uitgewerkt in een regeling die de toezichthouder (ARCOM) in staat stelt concrete aanbieders individueel aan te schrijven en hen te verplichten technische maatregelen te nemen die de leeftijd van gebruikers daadwerkelijk controleren. De ondernemingen voeren aan dat Frankrijk hiermee de Richtlijn elektronische handel schendt, omdat aanbieders van informatiemaatschappijdiensten in beginsel uitsluitend onder het recht van hun lidstaat van vestiging vallen. De tweede zaak draait om de Franse navigatie-app van Coyote. De Franse wetgever heeft bepaald dat aanbieders van elektronische rijhulpen en navigatiediensten gedurende een beperkte periode en binnen een geografisch beperkt gebied geen meldingen mogen verspreiden over bepaalde alcohol- en drugscontroles of politieacties tegen personen die worden gezocht voor ernstige misdrijven of een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. Volgens Coyote vormt dit een ontoelaatbare beperking van de vrije dienstverrichting en legt deze regeling in feite een verboden algemene toezichtverplichting op. Het Hof begint met een principiële uitleg van de Richtlijn elektronische handel. Volgens het Hof is het zogenoemde “gecoördineerde gebied” niet beperkt tot de onderwerpen die uitdrukkelijk zijn geharmoniseerd in hoofdstuk II en III van de richtlijn. Ook nationale regels die niet zijn geharmoniseerd vallen daaronder, mits zij betrekking hebben op de toegang tot of de uitoefening van een activiteit van een informatiemaatschappijdienst en niet vallen onder de expliciete uitzonderingen in de richtlijn (zoals belasting, gegevensbescherming, kansspelen e.d.). Dat geldt eveneens voor regels van strafrechtelijke aard en voor regels die de openbare orde, openbare veiligheid of de bescherming van minderjarigen dienen. De richtlijn sluit dergelijke terreinen niet categorisch uit en de in de bijlage genoemde derogaties vormen een uitputtende lijst van materies waarvoor het art. 3‑mechanisme niet geldt. Daaruit volgt volgens het Hof dat zowel een verplichting om de leeftijd van gebruikers van pornografische websites te controleren als een verbod om bepaalde verkeersinformatie door te geven, kwalificeren als eisen die betrekking hebben op de uitoefening van een informatiemaatschappijdienst (toegangsvoorwaarden, inhoud/functionaliteit van de dienst). Deze nationale regels vallen daarom binnen het gecoördineerde gebied van de richtlijn en moeten worden getoetst aan het stelsel van artikel 3 daarvan, waarin het uitgangspunt geldt dat een dienst in beginsel wordt gereguleerd door de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd en andere lidstaten de vrije dienstverrichting niet mogen beperken, behoudens een beroep op de derogatie van artikel 3, lid 4. Het Hof maakt vervolgens een onderscheid tussen algemene wetgeving en individuele maatregelen.

IT 5322

Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes

Overige instanties 1 jun 2026,, IT 5322; 52 O 62/26 9 (([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/landgericht-berlin-geen-merkinbreuk-door-ai-gegenereerde-zoekresultaten-over-parfumdupes

Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.

IT 5318

Geen dwaling over antivirus- en anti-ransomwarediensten: IT-dienstverlener leverde overeengekomen securitydiensten

Rechtbank Amsterdam 6 jun 2026,, IT 5318; ECLI:NL:RBAMS:2025:4025 ((Knooppunt tegen Hands On)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-dwaling-over-antivirus-en-anti-ransomwarediensten-it-dienstverlener-leverde-overeengekomen-securitydiensten

Rb. Amsterdam 6 juni 2026, IT 5318; ECLI:NL:RBAMS:2025:4025 (Knooppunt tegen Hands On). In deze zaak staat de vraag centraal of een IT-dienstverlener kosten in rekening heeft gebracht voor antivirus- en anti-ransomwarediensten die volgens de afnemer nooit zijn geleverd. Daarnaast is in geschil of de afnemer bij het aangaan van de beheersovereenkomst heeft gedwaald over de inhoud van deze diensten en of de IT-dienstverlener aansprakelijk kan worden gehouden voor mogelijke toekomstige schade als gevolg van een onvoldoende beveiligde IT-omgeving. Knooppunt exploiteert een fysiotherapiepraktijk en maakt deel uit van een groep praktijkvennootschappen. Hands On levert IT-diensten, waaronder advisering, beheer en ondersteuning. In 2021 sluiten partijen een consultancyovereenkomst, een licentieovereenkomst en een beheersovereenkomst. In de beheersovereenkomst is een zogenoemd SLA Comfort overeengekomen, dat onder meer ziet op monitoring, onderhoud, licentie- en contractmanagement, incidentafhandeling, back-updiensten en securitydiensten. Onder die securitydiensten vallen een antivirusdienst, een anti-ransomwaredienst en multi-factor authenticatie. De licentieovereenkomst eindigt in 2022. De beheersovereenkomst wordt door Knooppunt opgezegd tegen het einde van de looptijd en eindigt op 30 juni 2024. Daarna neemt een andere IT-dienstverlener, RoRo, het beheer van de IT-omgeving over. Knooppunt stelt zich op het standpunt dat Hands On gedurende de looptijd van de beheersovereenkomst uitsluitend gebruik heeft gemaakt van Microsoft Defender, terwijl daarvoor afzonderlijk antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Volgens Knooppunt waren deze diensten onderdeel van de standaard Microsoft-licenties en heeft Hands On geen aanvullende werkzaamheden verricht. Daarnaast voert Knooppunt aan dat Microsoft Defender geen afdoende bescherming biedt tegen virussen en ransomware. Omdat Hands On volgens Knooppunt ten onrechte de indruk heeft gewekt dat zij onmisbare beveiligingsdiensten leverde, beroept Knooppunt zich op dwaling. Zij vordert wijziging van de beheersovereenkomst en terugbetaling van de bedragen die volgens haar ten onrechte voor antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Daarnaast verzoekt zij een verklaring voor recht dat Hands On aansprakelijk is voor eventuele toekomstige schade als gevolg van een ondeugdelijke beveiliging van haar gegevens. De rechtbank overweegt dat eerst moet worden vastgesteld welke afspraken partijen precies hebben gemaakt over de antivirus- en anti-ransomwarediensten. Volgens Hands On maakten deze diensten onderdeel uit van een breder pakket aan beheers- en securitydiensten.

IT 5316

Rb. Amsterdam: tussenpersoon niet aansprakelijk voor foutief reserveringstarief

Rechtbank Amsterdam 11 mei 2026,, IT 5316; ECLI:NL:RBAMS:2026:5686 (([verzoeker] tegen Booking)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-tussenpersoon-niet-aansprakelijk-voor-foutief-reserveringstarief

Rb. Amsterdam 11 mei 2026, IT 5316; ECLI:NL:RBAMS:2026:5686 ([verzoeker] tegen Booking). In deze zaak staat de vraag centraal of Booking aansprakelijk is voor schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden nadat een via het platform geboekte accommodatie is geannuleerd wegens een onjuist, te laag reserveringstarief. [verzoeker] had via Booking een accommodatie in Frankrijk geboekt voor de periode van 27 december 2025 tot 3 januari 2026. Enkele maanden later laat Booking weten dat de aanbieder een foutief reserveringstarief heeft doorgegeven. [verzoeker] weigert akkoord te gaan met de hogere prijs, waarna de aanbieder de reservering annuleert. De procedure wordt gevoerd in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV). Booking exploiteert een online reserveringsplatform waarop accommodaties van derden worden aangeboden. In de algemene voorwaarden staat onder meer dat Booking geen partij is bij de overeenkomst tussen de klant en de aanbieder, dat de aanbieder verantwoordelijk is voor de reiservaring en dat prijzen, beschikbaarheid en annuleringsvoorwaarden afkomstig zijn van de aanbieder. Ook is opgenomen dat duidelijke fouten of drukfouten niet bindend zijn en dat een boeking in dat geval kan worden geannuleerd. De rechtbank stelt eerst vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Omdat Booking in Amsterdam is gevestigd, volgt die bevoegdheid uit artikel 4 van de Brussel I-bis Verordening. Vervolgens beoordeelt de rechtbank welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 6 Rome I geldt in beginsel Nederlands recht, omdat partijen daarvoor in de algemene voorwaarden hebben gekozen en de consument daardoor niet de bescherming verliest die hij aan het dwingende Belgische consumentenrecht kan ontlenen. Volgens de rechtbank is deze rechtskeuze dan ook niet oneerlijk. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of Booking aansprakelijk is voor de onjuiste prijsinformatie.

IT 5315

Artikel geschreven door Chantal Bakermans, Penrose.law.

AI-aansprakelijkheid voor ondernemingen: waarom agentic AI een bestuurlijk risico is

Chantal Bakermans, 20 mei 2026. 

AI-aansprakelijkheid voor ondernemingen: waarom agentic AI een bestuurlijk risico is

AI is niet langer een hulpmiddel naast het bedrijfsproces, maar een procesdeelnemer met toegang tot data, externe input en de bevoegdheid om namens de organisatie te handelen. Die combinatie verandert AI-risico van een IT-vraagstuk in een juridisch en bestuurlijk vraagstuk. Dit artikel bespreekt waar de aansprakelijkheid ligt, welke regelgeving van toepassing is (AI Act, AVG, NIS2, DORA, productaansprakelijkheid) en welke stappen ondernemingen nu zouden moeten zetten.

IT 5309

Cryptobeurs moet KYC-gegevens en transactieoverzichten verstrekken na crypto-oplichting

Rechtbank Midden-Nederland 3 jun 2026,, IT 5309; ECLI:NL:RBMNE2026:3037 (([eisende partij] tegen Bitfinex)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cryptobeurs-moet-kyc-gegevens-en-transactieoverzichten-verstrekken-na-crypto-oplichting

Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, IT 5309; ECLI:NL:RBMNE2026:3037 ([eisende partij] tegen Bitfinex). In deze zaak staat de vraag centraal of een slachtoffer van crypto-oplichting in kort geding kan afdwingen dat een buitenlandse cryptobeurs identificerende gegevens van accounthouders en transactiegegevens van betrokken wallet-adressen verstrekt. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland beantwoordt die vraag bevestigend en veroordeelt Bitfinex tot afgifte van zowel de Know Your Customer (KYC)-gegevens als de volledige transactieoverzichten van zeven wallet-adressen. [eisende partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van oplichting waarbij hij cryptovaluta heeft overgemaakt naar verschillende wallet-adressen die volgens hem toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. Om de identiteit van de oplichters te kunnen achterhalen en zijn schade te verhalen, vordert hij in kort geding afgifte van de KYC-gegevens van de accounthouders van deze adressen, alsmede de volledige transactiegeschiedenis van de betreffende accounts. Bitfinex, bestaande uit de vennootschappen IFINEX Inc., BFXNA Inc. en BFXWW Inc., verschijnt niet in de procedure. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of verstek kan worden verleend. De rechtbank stelt vast dat het exploot van de dagvaarding is uitgebracht met inachtneming van het Haags Betekeningsverdrag, de Uitvoeringswet van dat verdrag en artikel 55 Rv. Niet is gebleken dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 en 2 van het Haags Betekeningsverdrag daadwerkelijk is betekend of in persoon aan Bitfinex is afgegeven. In beginsel staat dat aan verstekverlening in de weg. De voorzieningenrechter oordeelt toch dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag, dat in spoedeisende gevallen toestaat om verstek te verlenen zonder dat volledig aan de betekeningsvereisten is voldaan. Daarbij moet wel voldoende zijn gewaarborgd dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk heeft bereikt en dat deze voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Volgens de rechtbank is aan die voorwaarden voldaan. [eisende partij] heeft toegelicht dat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen, voor een poging zijn schade te verhalen en voor het vervolg van de strafrechtelijke procedure.

IT 5308

Fraudeverlies van ruim één miljoen euro blijft voor rekening van onderneming: tussenpersoon niet aansprakelijk

Rechtbank Amsterdam 20 aug 2025,, IT 5308; ECLI:NL:RBAMS:2025:11465 ((CF Holdings tegen Frontyrion en [gedaagde 2])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/fraudeverlies-van-ruim-een-miljoen-euro-blijft-voor-rekening-van-onderneming-tussenpersoon-niet-aansprakelijk

Rb. Amsterdam 20 augustus 2025, IT&Recht 5308; ECLI:NLRBAMS:2025:11465 (CF Holdings tegen Frontyrion en [gedaagde 2]). De Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat betalingsbemiddelaar Frontyrion niet aansprakelijk is voor de schade die CF Holdings heeft geleden als gevolg van factuurfraude via een gehackt e-mailaccount. Volgens de rechtbank trad Frontyrion uitsluitend op als tussenpersoon tussen CF Holdings en betaaldienstverlener Currencycloud en rustte op haar geen verplichting om betaalopdrachten inhoudelijk te controleren of frauduleuze transacties te detecteren. Ook de bestuurder van Frontyrion kan geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Alle vorderingen van CF Holdings worden afgewezen. CF Holdings, een dochtermaatschappij van een Indiase producent van verpakkings- en industriële folies, maakte sinds 2021 gebruik van de diensten van Frontyrion voor betalingen aan haar Duitse logistieke partner Soli-Trans. Frontyrion hield zich volgens het handelsregister bezig met het aanbieden van online platformen en aanverwante diensten en werkte daarbij samen met betaaldienstverlener Currencycloud, die het daadwerkelijke betaalplatform exploiteerde. In augustus en september 2023 werd een e-mailaccount van een medewerker van administratiekantoor Valuecent gehackt. Vanuit dat account werden aan CF Holdings meerdere valse betaalinstructies gestuurd. Eerst werd een Pools bankrekeningnummer doorgegeven dat zogenaamd aan Soli-Trans toebehoorde. Nadat twee betalingen naar dat rekeningnummer door de Poolse bank waren teruggestort, volgde een nieuw bericht met een Portugees bankrekeningnummer. Vervolgens voerde CF Holdings meerdere betalingen uit op basis van deels bestaande en deels verzonnen facturen. Uiteindelijk werd in totaal € 1.063.762,91 overgemaakt naar een rekening van een onbekende derde. De fraude kwam pas op 28 september 2023 aan het licht. Nadat de fraude was ontdekt, verzocht CF Holdings Frontyrion om de betalingen terug te halen en de ontvangende bank te laten overgaan tot bevriezing van de rekening. Frontyrion schakelde daarop Currencycloud in, die via het SWIFT-netwerk zogenoemde recall-verzoeken deed. Deze pogingen om de gelden terug te halen hadden echter geen succes. CF Holdings stelde daarop Frontyrion en een van haar bestuurders aansprakelijk. Primair werd schadevergoeding gevorderd op grond van onrechtmatige daad en subsidiair wegens wanprestatie. Volgens CF Holdings was Frontyrion feitelijk een betaaldienstverlener die haar werkzaamheden had uitbesteed aan Currencycloud. Frontyrion zou verschillende waarschuwingssignalen hebben gemist, onvoldoende onderzoek hebben verricht naar mislukte betalingen en zich na ontdekking van de fraude onvoldoende hebben ingespannen om de gelden terug te halen. Daarnaast vorderde CF Holdings vergoeding van de kosten van een forensisch onderzoek. De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling bepalend is welke taken Frontyrion op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst had en welke rol zij daadwerkelijk vervulde. Daarbij gaat de rechtbank uit van de zogenoemde Frontyrion Service Agreement. Dat deze overeenkomst niet was ondertekend, doet daar volgens de rechtbank niet aan af, omdat CF Holdings niet heeft toegelicht welke andere afspraken partijen zouden hebben gemaakt. Uit die overeenkomst volgt volgens de rechtbank dat Frontyrion uitsluitend optrad als business introducer voor betaaldienstverleners. Cliënten moesten afzonderlijk een overeenkomst sluiten met de betaaldienstverlener zelf. Frontyrion verrichtte geen betaaldiensten in eigen naam, maar hield zich bezig met onboarding, eerstelijns klantenservice en ondersteuning van de dienstverlening door de betaaldienstverlener. Vaststaat dat Currencycloud de betaaldiensten uitvoerde en over de vereiste vergunning beschikte. De stelling van CF Holdings dat Frontyrion zelf als betaaldienstverlener moet worden aangemerkt, wordt daarom verworpen. Ook het beroep op verplichtingen uit de Wet op het financieel toezicht en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme slaagt niet. Volgens de rechtbank strekken deze toezichtsnormen niet tot bescherming van een individuele rekeninghouder tegen schade als gevolg van factuurfraude zoals hier aan de orde. Verder overweegt de rechtbank dat de dienstverlening van Frontyrion zich beperkte tot onboarding en communicatie tussen CF Holdings en Currencycloud.