LUMC mocht namen van onderzoekers in contracten met leveranciers van medische hulpmiddelen afschermen
ABRvS 15 april 2026, IT 5495; LS&R 2457; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (LUMC tegen [appellant sub 2]). In deze zaak tussen het LUMC en [appellant sub 2] staat een Wob-verzoek centraal over overeenkomsten tussen het ziekenhuis of daar werkzame zorgprofessionals en ondernemingen die medische hulpmiddelen produceren, verhandelen of daaraan gerelateerde diensten verrichten. Het verzoek ziet onder meer op consultancy-, dienstverlenings-, sprekers- en sponsorovereenkomsten en contracten zoals bedoeld in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen. Het LUMC heeft twintig documenten gevonden en deze gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde eerder dat het LUMC onvoldoende had gemotiveerd waarom namen en specialisaties van medewerkers waren weggelakt. Volgens de rechtbank kon bij hoogleraren en gerenommeerde onderzoekers of wetenschappers ervan worden uitgegaan dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Ook vond de rechtbank dat het LUMC verschillende andere passages te generiek had afgeschermd. Voor gegevens over specifiek te onderzoeken of ontwikkelen producten, onderzoeksmethoden en financiële gegevens achtte de rechtbank geheimhouding wel gerechtvaardigd. In hoger beroep voert het LUMC aan dat niet iedere hoogleraar of onderzoeker vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Volgens het LUMC moet worden gekeken naar de concrete situatie en naar de vraag of een medewerker daadwerkelijk als vertegenwoordiger van het ziekenhuis optreedt. De Afdeling volgt dit standpunt.
Beperkte openbaarheid raadsenquêtedocumenten Zevenaar blijft in stand
RvS 20 mei 2026, IT 5486; ECLI:NL:RVS:2026:2693 (appellante tegen verweerder). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 13 juni 2023 ongegrond is. Met dat besluit heeft het college de eerder opgelegde beperkingen aan de openbaarheid van documenten van de gemeentelijke raadsenquêtecommissie P&O Zevenaar gedeeltelijk opgeheven. Bij inzage moet de streekarchivaris de AVG in acht nemen en persoonsgegevens en tot personen herleidbare gegevens pseudonimiseren, in dit geval door deze weg te lakken. De Afdeling stelt eerst vast dat een besluit op grond van artikel 15 Archiefwet 1995 op extern rechtsgevolg is gericht en daarom appellabel is, zodat [appellante] ontvankelijk is in haar beroep. Voor een groot deel van haar beroepsgronden verwijst de Afdeling naar een samenhangende uitspraak van dezelfde datum, waarin nagenoeg dezelfde gronden al zijn beoordeeld en verworpen.
Geen verhoging dwangsom voor onrechtmatig plaatsen tracking cookies na oordeel bodemrechter
Hof Amsterdam 3 maart 2026, IT 5491; ECLI:NL:GHAMS:2026:584 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding over de vraag of de eerder aan [appellant] opgelegde dwangsom wegens het zonder toestemming plaatsen van tracking cookies op de apparaten van [geïntimeerde] moet worden verhoogd. In een eerder arrest van 5 december 2023 was [appellant] al geboden dit handelen te staken, op straffe van € 250 per dag of dagdeel tot maximaal € 25.000. In dat eerdere arrest was onder meer voldoende aannemelijk geacht dat tracking cookies zonder toestemming waren geplaatst en persoonsgegevens in strijd met de AVG waren verwerkt. Nadat [appellant] het maximum van € 25.000 had betaald, verhoogde de voorzieningenrechter de dwangsom tot € 500 per dag of dagdeel met een maximum van € 50.000. Ook in dit hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk dat het gebod nog niet volledig wordt nageleefd en dat het onrechtmatige gedrag zonder verdere maatregelen ook in de toekomst kan voortduren. Omdat het oorspronkelijke maximum al was betaald, ging van die dwangsom bovendien geen verdere prikkel tot nakoming meer uit.
Facebookpublicaties over cliëntelisme, drugsgebruik, spionage en corruptie zijn onrechtmatig
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 augustus 2026, IT 5485; ECLI:NL:OGEAC:2026:159 ([eiser] tegen [gedaagde]). Het Gerecht oordeelt dat [gedaagde], journalist, commentator en blogger, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] door op Facebook 58 berichten over hem te publiceren. [eiser], werkzaam bij de Belastingdienst, werd daarin onder meer in verband gebracht met cliëntelisme, cocaïnegebruik, spionage voor Nederland, corruptie, het bevoordelen van Nederlanders, het lekken van vertrouwelijke informatie en het profiteren van beslagen en openbare verkopen. Het gerecht weegt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam af tegen de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van [gedaagde] op grond van artikel 10 EVRM. Daarbij kijkt het onder meer naar de ernst van de beschuldigingen, het maatschappelijk belang van de gestelde misstanden, de feitelijke basis voor de uitlatingen, de wijze waarop deze zijn gebracht, het bereik van het medium en de positie van [eiser]. De publicaties schetsen in onderlinge samenhang een ernstig en consistent negatief beeld van [eiser], terwijl niet is gebleken dat de beschuldigingen steun vinden in objectief verifieerbare bronnen en geen wederhoor is toegepast. Het beroep op satire of humor wordt verworpen, omdat de uitlatingen als feitelijke beschuldigingen zijn gepresenteerd. Ook de stelling dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek moet dulden slaagt niet. De uitlatingen vormen daarom een ongerechtvaardigde aantasting van zijn eer en goede naam en zijn onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW.
Beperking kennisneming stukken gerechtvaardigd ter bescherming persoonsgegevens van bewoners
CBb 20 augustus 2026, IT 5481; ECLI:NL:CBB:2026:388 (AHW tegen ACM). De rechter-commissaris van het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) verzochte beperking van de kennisneming van verschillende gedingstukken op grond van artikel 8:29 Awb gerechtvaardigd is. De stukken zijn overgelegd in het hoger beroep van Atlantic Huis WKO-Bron B.V. tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam en bevatten volgens de ACM persoonsgegevens van bewoners en gegevens waaruit privégegevens kunnen worden afgeleid. Bij de beoordeling weegt de rechter-commissaris enerzijds het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en dat het College over alle informatie beschikt die nodig is om de zaak juist en zorgvuldig af te doen, en anderzijds het belang dat betrokkenen niet onevenredig worden benadeeld door kennisneming van hun persoonsgegevens. Ook het belang van de ACM om in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft, wordt meegewogen.
Hof Amsterdam: LinkedIn verbeurt maximale dwangsom wegens plaatsing li_gc-cookie
Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IT 5492; ECLI:NL:GHAMS:2026:2154 (LinkedIn tegen [geïntimeerde]. Het hof bekrachtigt het vonnis in een executiegeschil tussen LinkedIn en een gebruiker over het plaatsen van cookies. In een kortgedingvonnis uit 2024 was LinkedIn geboden om het zonder toestemming (doen) plaatsen of uitlezen van trackingcookies of andere cookies waarvoor toestemming is vereist op de apparaten van de gebruiker te staken, op straffe van dwangsommen. Volgens de gebruiker heeft LinkedIn dit gebod overtreden door onder meer de cookies bcookie en li_gc te plaatsen. Het hof oordeelt dat het gebod niet is beperkt tot één specifieke cookie, maar in beginsel iedere trackingcookie of andere toestemmingsplichtige cookie omvat. De bcookie valt echter niet onder het gebod, omdat in het vonnis uit 2024 onvoldoende aannemelijk was geacht dat voor deze cookie toestemming was vereist. De li_gc-cookie kan wel onder het gebod vallen.
Geen risico op aanmerkelijke marktmacht op glasvezelmarkt KPN en Glaspoort
CBb 10 februari 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de ACM in haar marktanalyse lokale toegang terecht heeft geconcludeerd dat op markt I, het glasvezelnetwerk van KPN en Glaspoort, geen risico bestaat op aanmerkelijke marktmacht (AMM). Jonaz stelde onder meer dat de ACM het eerdere Toezeggingenbesluit ten onrechte in de plaats had gesteld van een zelfstandige marktanalyse. Het College volgt dit niet. De ACM moest bij haar toekomstgerichte analyse rekening houden met het op het algemene mededingingsrecht gebaseerde Toezeggingenbesluit en mocht de nog actuele informatie en onderzoeksbevindingen die daaraan ten grondslag lagen gebruiken. Het Toezeggingenbesluit fungeerde daarbij niet als rechtvaardiging voor het marktanalysebesluit, maar als relevante feitelijke informatie. Ook heeft de ACM volgens het College voldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van Jonaz, zodat geen sprake is van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek.
Skytree gebonden aan opdracht voor eerste set camera’s door schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, IT 5484; ECLI:NL:RBAMS:2026:8428 ([eiser] tegen Skytree). De rechtbank oordeelt dat tussen [eiser] en Skytree een overeenkomst tot stand is gekomen voor de eerste set van vier camera’s, hoewel de medewerker die de opdracht gaf formeel niet bevoegd was Skytree te vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW mocht [eiser] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs vertrouwen op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake was van een urgente opdracht, dat verschillende relevante medewerkers van Skytree bij de e-mailwisseling waren betrokken, dat [eiser] overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze een offerte aan de inkoper had gestuurd en dat hij bij eerdere urgente opdrachten vaker al met werkzaamheden was begonnen voordat het interne PR-traject volledig was afgerond, waarna Skytree zijn facturen betaalde. Voor de tweede set camera’s geldt dit niet. De urgentie was toen verminderd, de opdracht was gewijzigd en omvangrijker geworden en kwam van een medewerker van wie [eiser] niet eerder opdrachten had gekregen. Omdat [eiser] bovendien bekend was met het formele PR-traject, had hij vóór aanvang van deze tweede opdracht moeten controleren of deze door Skytree was goedgekeurd. Skytree is daarom alleen gehouden de werkzaamheden voor de eerste set te betalen.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf nu zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
Boete telecomaanbieder wegens gebrekkige beveiliging LI-gegevens verlaagd tot € 1,66 miljoen
Rb. Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken). In deze zaak staat centraal of de staatssecretaris terecht vijf bestuurlijke boetes van ieder € 450.000 heeft opgelegd aan [aanbieder 1] wegens overtreding van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt). [aanbieder 1] is aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) onderzocht tussen oktober 2021 en december 2022 of zij voldoende maatregelen had getroffen om gegevens voor bevoegd aftappen door het Openbaar Ministerie, de AIVD en de MIVD te beschermen tegen kennisneming door onbevoegden. Het gaat om zogenoemde lawful interception-gegevens (LI-gegevens). De staatssecretaris stelde tekortkomingen vast op vijf onderdelen: het beveiligingsplan, uitbesteding, personeel, fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging van geautomatiseerde informatiesystemen. Daarvoor legde hij op grond van de Telecommunicatiewet in totaal € 2.250.000 aan boetes op. [aanbieder 1] bestrijdt onder meer de vaststelling van verschillende overtredingen, de invulling van de normen uit het Bbgt en de evenredigheid van de boetes.