Geen ontbinding softwareovereenkomst na tijdig herstel van ontbrekende realtimefunctionaliteit
Rb. Zeeland-West-Brabant 5 augustus 2026, IT 5526; ECLI:NL:RBZWB:2026:8155 ([v.o.f.] tegen RentBuddy). [bedrijf] en [v.o.f.], beide actief in de verhuur van evenementenartikelen, sloten op 9 februari 2023 ieder een overeenkomst voor drie jaar met RentBuddy voor het gebruik van haar ERP/CRM-systeem. Zij stellen dat vooraf met RentBuddy was besproken dat hun klanten via hun websites realtime de beschikbaarheid van producten moesten kunnen zien via een API-koppeling. Deze functionaliteit ontbrak aanvankelijk. Bij de uitleg van de overeenkomst past de kantonrechter de Haviltex-maatstaf toe: niet alleen de tekst van de overeenkomst is bepalend, maar ook wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een opname van een gesprek van 28 maart 2024 blijkt volgens de kantonrechter voldoende dat [bedrijf] en [v.o.f.] vóór het sluiten van de overeenkomsten hadden aangegeven dat realtimebeschikbaarheid voor hun webshops van belang was. Dat deze functionaliteit niet uitdrukkelijk in de offertes was opgenomen, is daarom niet doorslaggevend. [bedrijf] en [v.o.f.] mochten redelijkerwijs verwachten dat het systeem realtimebeschikbaarheid via de API kon weergeven. Deze functionaliteit maakte dus onderdeel uit van de overeenkomsten en het ontbreken daarvan leverde aanvankelijk een tekortkoming van RentBuddy op.
Rb. Overijssel: korpschef moet inzageverzoek beoordelen op grond van art. 25 Wpg in plaats van art. 15 AVG
Rb. Overijssel 24 juli 2026, IT 5524; ECLI:NL:RBOVE:2026:4534 ([eiseres] tegen de korpschef). [eiseres] heeft de korpschef verzocht om inzage in haar persoonsgegevens over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017, specifiek in bevragingen die in die periode op basis van haar BSN in de Basisregistratie Personen zijn gedaan. De korpschef heeft het verzoek beoordeeld op grond van art. 15 AVG en afgewezen omdat haar persoonsgegevens volgens hem in die periode niet door de korpschef waren verwerkt. [eiseres] stelt dat duidelijk had moeten zijn dat zij inzage verzocht in politiegegevens en dat haar verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moest worden beoordeeld. De rechtbank volgt haar daarin. Voor de juridische kwalificatie van een inzageverzoek zijn volgens de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, de inhoud en context van het verzoek bepalend en niet de door de verzoeker gekozen juridische benaming. [eiseres] had in haar verzoek verwezen naar een eerder inzageverzoek waarop de korpschef met toepassing van de Wpg had beslist en waarbij een overzicht van gegevens was verstrekt. Daarom had voor de korpschef duidelijk moeten zijn dat zij opnieuw een dergelijk overzicht wilde, maar nu over een andere periode. Daarbij komt dat voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de politietaak waarop het verzoek ziet de Wpg de bijzondere en specifiekere wettelijke regeling vormt ten opzichte van de AVG. De korpschef had het verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moeten beoordelen.
Registraties in frauderegisters wegens vermoede hypotheekfraude gerechtvaardigd
Rb. Amsterdam 9 september 2026, IT 5521; ECLI:NL:RBAMS:2026:9185 ([eisers] tegen ING). [eisers], die een assurantie- en advieskantoor exploiteren en cliënten begeleiden bij hypotheekaanvragen, vorderen in kort geding dat ING hun gegevens verwijdert uit het Intern Verwijzingsregister (IVR), het Incidentenregister (IR), het Externe Verwijzingsregister (EVR) en het register van Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH), dan wel de registratieduur van acht jaar verkort. ING had de bancaire relaties met [eisers] beëindigd en de registraties aangebracht nadat uit onderzoek naar verschillende hypotheekaanvragen was gebleken dat bij ING aanzienlijk hogere inkomensgegevens en andere jaarstukken waren ingediend dan de stukken die de hypotheekaanvragers zelf aan [eisers] hadden verstrekt. Voor registratie in het IR, EVR en SFH-register moet volgens de voorzieningenrechter zijn voldaan aan de AVG en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2026. De betrokkenheid van de geregistreerde persoon bij de gedragingen moet in voldoende mate vaststaan en voor verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens moeten concrete feiten en omstandigheden bestaan die meer opleveren dan alleen een redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast moeten de registraties voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
HR: ontbreken van verzuim bij wanprestatie sluit vordering uit onrechtmatige daad niet uit
HR 17 juli 2026, IT 5520; ECLI:NL:HR:2026:1295 ([eiser] tegen Capgemini). [eiser] vordert uit hoofde van aan hem overgedragen vorderingen van Equihold schadevergoeding van Capgemini wegens tekortkomingen bij de ontwikkeling van de sportapplicatie 1-2 Focus. Capgemini was op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten verantwoordelijk voor de kwaliteit van de software, terwijl Equihold onder meer verantwoordelijk bleef voor de functionaliteit, planning en deadlines. Het gerechtshof Den Haag wees de vorderingen uit wanprestatie af omdat Capgemini niet in verzuim was geraakt. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Het hof mocht oordelen dat de toezegging van Capgemini in december 2006 om de gebreken binnen een half jaar op te lossen, gelet op de wijze van samenwerking, het voortdurende overleg, de RUP-methodiek en het ontbreken van een vastomlijnd eindproduct en tijdschema, geen voor de voldoening bepaalde termijn was in de zin van art. 6:83 onder a BW. Ook heeft het hof niet miskend dat een beroep op het ontbreken van verzuim ook tussen professionele partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. In dit geval achtte het hof daarvoor onvoldoende grond aanwezig. De klachten over de gestelde blijvende onmogelijkheid van nakoming en over het beroep van Capgemini op de contractuele beperking van aansprakelijkheid slagen evenmin.
Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.
Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen
Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.
Negatieve Google-review over dienstverlening makelaar niet onrechtmatig
Rb. Rotterdam 7 augustus 2026, IT 5517; ECLI:NL:RBROT:2026:11090 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter wijst de vordering af van een makelaar die verwijdering van een negatieve Google-review eiste. Het plaatsen van een review over de dienstverlening van een onderneming valt volgens de kantonrechter in beginsel onder de vrijheid van meningsuiting, ook wanneer die review negatief is. Die vrijheid is niet onbeperkt: een review kan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW, bijvoorbeeld wanneer sprake is van smaad of laster, of wanneer de tekst anderszins een ontoelaatbare inbreuk maakt op de goede naam of reputatie van een ander. Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Na toepassing privacymask geen privacy-inbreuk meer door beveiligingscamera’s
Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]). De voorzieningenrechter wijst de vordering af van een bewoonster die haar buren wilde verplichten hun beveiligingscamera’s te verplaatsen of te draaien. Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert, al kan een belangenafweging ertoe leiden dat de inbreuk niet onrechtmatig is. In deze zaak is onvoldoende komen vast te staan dat nog sprake is van een onrechtmatige privacy-inbreuk. De camera’s waren hoofdzakelijk op het eigen perceel van de buren gericht. Aanvankelijk waren ook een klein deel van de oprit en de garagedeur van eiseres zichtbaar, maar de buren hebben de instellingen aangepast met een privacymask, waardoor dat deel van het mogelijke camerabeeld wordt geblokkeerd. Eiseres had zelf inzage gehad in de camerabeelden en heeft niet weersproken dat het privacymask ervoor zorgt dat haar perceel niet meer wordt waargenomen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom voorshands dat geen sprake meer is van een inbreuk op haar privacy.
HvJ EU: onbeperkte openbaarmaking persoonsgegevens van alle aandeelhouders in strijd met AVG
HvJ EU 3 september 2026, IT 5515; ECLI:EU:C:2026:679 (Jautiva). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 14, onder d), van Richtlijn (EU) 2017/1132 niet vereist dat informatie over alle aandeelhouders van de betrokken vennootschappen, waaronder minderheidsaandeelhouders, openbaar wordt gemaakt. Die bepaling ziet op personen die de vennootschap kunnen vertegenwoordigen of deelnemen aan het bestuur, toezicht of de controle daarvan. Aandeelhouders vallen daar niet als zodanig onder: hun hoedanigheid vloeit voort uit hun deelneming in het kapitaal en verschilt van die van leden van bestuurs- en leidinggevende organen. Ook de bevoegdheden van de algemene vergadering zijn volgens het Hof van een andere aard. Bovendien is informatie over met name minderheidsaandeelhouders in beginsel niet relevant voor derden, omdat zij de vennootschap doorgaans niet kunnen vertegenwoordigen, binden of besturen. Omdat Richtlijn 2017/1132 openbaarmaking van hun gegevens niet voorschrijft, hoeft het Hof niet meer te beoordelen of artikel 14, onder d), zelf geldig is in het licht van de artikelen 7 en 8 Handvest.
HvJ EU: telecomaanbieder ontleent aan Europees wetboek geen zelfstandig recht tot eenzijdige contractswijziging
HvJ EU 10 september 2026, IEF 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 105 lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten geen zelfstandig recht verleent om contractvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Die bepaling vooronderstelt dat een dergelijk wijzigingsrecht reeds uit andere toepasselijke regels voortvloeit en regelt uitsluitend het bijzondere recht van de eindgebruiker om de overeenkomst zonder extra kosten te beëindigen wanneer de aanbieder dat wijzigingsrecht uitoefent. Dat beëindigingsrecht geldt niet wanneer de voorgestelde wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, strikt administratief van aard is en geen negatieve gevolgen heeft, of rechtstreeks door het Unie- of nationale recht wordt opgelegd. Uit de tekst, context en doelstelling van artikel 105 volgt volgens het Hof dat deze bepaling ziet op de bescherming en beëindigingsrechten van eindgebruikers en niet op de rechtsgrondslag voor of voorwaarden van een eenzijdige contractswijziging.