Google motiveert permanente Google Ads-schorsing onvoldoende, maar hoeft account EazeGames niet te heractiveren
Hof Amsterdam 21 juli 2026, RB 4102; IT 5448; ECLI:NL:GHAMS:2026:1981 (EazeGames tegen Google). EazeGames exploiteert een online platform waarop onder meer Bingo, Solitaire en 21 worden aangeboden en adverteert daarvoor sinds 2017 via Google Ads. EazeGames beschikt niet over het door Google voor bepaalde kansspeladvertenties vereiste certificaat. Nadat Google in de loop der jaren 188 advertenties heeft geweigerd, schorst zij het Google Ads-account van EazeGames op 20 december 2024 permanent wegens overtreding van haar beleid tegen het omzeilen van systemen. EazeGames maakt herhaaldelijk bezwaar en legt het geschil vervolgens voor aan ADROIT, een gecertificeerd buitengerechtelijk geschillenbeslechtingsorgaan in de zin van de DSA. ADROIT beveelt in juni 2025 heractivering aan en acht de schorsing onder meer onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel. Google volgt die aanbeveling niet. Het hof oordeelt dat Google contractueel weliswaar een ruime bevoegdheid en beoordelingsvrijheid heeft om Google Ads-accounts op te schorten, maar dat een permanente schorsing vanwege haar verstrekkende karakter proportioneel moet zijn en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Daarnaast is art. 17 DSA op de schorsing van toepassing. Google moet daarom duidelijk, specifiek en zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk uiteenzetten waarom de maatregel is genomen, zodat EazeGames haar beschikbare verhaalmogelijkheden daadwerkelijk kan benutten. Aan die eisen voldoet de schorsingsmededeling niet: Google verwijst hoofdzakelijk naar het algemeen geformuleerde Omzeilingsbeleid zonder te concretiseren welke overtredingen EazeGames heeft begaan en waarom permanente schorsing in dit specifieke geval gerechtvaardigd is. Ook de nadere toelichting tijdens de procedure over onder meer mogelijke cloaking, een ander account en het grote aantal geweigerde advertenties acht het hof onvoldoende concreet. Het beroep van EazeGames op art. 16 DSA slaagt daarentegen niet, omdat dat artikel ziet op maatregelen naar aanleiding van een melding en niet op een maatregel die een dienstaanbieder, zoals hier, uit eigen beweging neemt.
Dubbel ondertekend targetformulier leidt niet tot jaarklik voor elektriciteitsprijs 2023
Hof Den Haag 4 augustus 2026, IT 5452; ECLI:NL:GHDHA:2026:2466 (BES tegen Greenchoice). Bio-Energie Stadskanaal (BES) en Greenchoice sluiten voor 2023 een overeenkomst voor de levering van duurzame elektriciteit. Uitgangspunt is een variabele prijs, maar BES kan via een klikprocedure de prijs voor bepaalde volumes per kwartaal of voor het gehele jaar vastzetten. Het belangrijkste geschilpunt is of in september 2022 een jaarklik voor 2023 tot stand komt nadat BES een formulier indient met een targetprijs van € 600 per MWh en Greenchoice dit formulier vervolgens medeondertekent en retourneert. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat dit niet het geval is en dat BES daarop ook niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat voor de totstandkoming van een prijsklik de bevestiging door Greenchoice beslissend is, kan het dubbel ondertekende formulier redelijkerwijs niet als zo’n bevestiging worden uitgelegd. Daaruit volgt juist dat Greenchoice zich inspant om het volume tegen de targetprijs vast te leggen en dat de prijs pas definitief en bindend wordt zodra Greenchoice deze daadwerkelijk kan vastleggen. Het formulier wijkt bovendien duidelijk af van formulieren uit eerdere jaren waarin expliciet werd bevestigd dat een prijs al was vastgezet. Ook de begeleidende e-mails van 6 en 7 september 2022 laten geen ruimte voor een ander oordeel: Greenchoice schrijft dat de marktprijs op dat moment rond € 350-360 ligt, ver verwijderd van de gevraagde € 600, en dat zij de ontwikkeling in de gaten houdt. Het hof ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat BES redelijkerwijs mocht menen dat de jaarklik al was uitgevoerd.
Leveranciersverbod Huawei en ZTE in kritieke onderdelen mobiel netwerk Odido rechtmatig
CBb 19 februari 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de rechtmatigheid van een aan Odido opgelegde maatregel op grond van de Telecommunicatiewet en het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie (Bvit). Naar aanleiding van waarschuwingen van de AIVD en MIVD over toenemende digitale spionage en een interdepartementale risicoanalyse naar de kwetsbaarheid van mobiele netwerken had de minister Odido verplicht om in aangewezen kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk geen apparatuur van Huawei en ZTE meer te gebruiken en de reeds aanwezige apparatuur binnen de gestelde termijn te vervangen. Odido bestreed zowel de wettelijke grondslag van deze leveranciersmaatregel als de verbindendheid van het Bvit. Volgens haar bood de Telecommunicatiewet onvoldoende basis voor een zo verstrekkend leveranciersverbod en was de regeling onder meer onverenigbaar met de Europese Telecomcode, het vrije verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daarnaast stelde Odido dat de concrete maatregel onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onevenredig inbreuk maakte op haar eigendomsrecht en dat zij aanspraak had op nadeelcompensatie wegens de kosten van de vervanging van de apparatuur.
Verzoek om inzage in AVG-procedure aangehouden wegens verwevenheid met hoofdzaak
Rb. Noord-Holland 8 juli 2026, IT 5463; ECLI:NL:RBNHO:2026:9870 ([verzoeker] tegen De Huurwoningbemiddelaar). In deze zaak verzoekt [verzoeker] de rechtbank op grond van artikel 195 Rv om De Huurwoningbemiddelaar te bevelen nadere gegevens en stukken over te leggen in een reeds lopende AVG-procedure. Het verzoek ziet onder meer op stukken ter onderbouwing van de door De Huurwoningbemiddelaar gestelde rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens, waaronder vernietigingsdocumentatie, logbestanden en het bewaartermijnbeleid, en op nadere informatie over door haar aangehaalde jurisprudentie. [verzoeker] verzoekt daarnaast dat, wanneer de gevraagde informatie niet wordt verstrekt, het beroep van De Huurwoningbemiddelaar op die jurisprudentie en op de rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens buiten beschouwing wordt gelaten. De Huurwoningbemiddelaar verzet zich tegen toewijzing van het incidentele verzoek.
Rechtbank: geen spoedeisend belang bij AVG-inzage en beperking van verwerking
Rb. Rotterdam 15 juli 2026, IT 5459; ECLI:NL:RBROT:2026:9578 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Een moeder vordert namens haar dochter in kort geding onder meer dat het besluit van een hockeyvereniging tot beëindiging van het lidmaatschap voorlopig buiten werking wordt gesteld en dat haar dochter weer tot de vereniging wordt toegelaten. Daarnaast verlangt zij afschrift van het volledige dossier van haar dochter, informatie over personen en instanties aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, beperking van de verwerking van die persoonsgegevens en een verbod op verdere verspreiding van een onderzoeksrapport. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot herstel van het lidmaatschap af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het besluit dateert van november 2023, de dochter heeft sindsdien niet meer gehockeyd en er is geen concrete wens om het lidmaatschap op korte termijn te hervatten. Ook het gestelde belang bij reputatieherstel maakt niet dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Korpschef moet bij Wpg-inzageverzoek onderscheid tussen gerichte en automatische BRP-bevragingen inzichtelijk maken
ABRvS 15 juli 2026, IT 5455; ECLI:NL:RVS:2026:4141 (korpschef van politie tegen [wederpartij]). [wederpartij] verzocht op grond van art. 25 Wpg om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens nadat hij had vastgesteld dat de politie zijn gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) tussen 2018 en 19 mei 2022 meer dan achthonderd keer had geraadpleegd. Hij wilde weten waarom op zijn naam en op de namen van onder meer zijn dochters, ouders en ex-partner was gezocht, wie binnen de politie de BRP had geraadpleegd, wat de redenen voor die raadplegingen waren en waarvoor de verkregen gegevens werden gebruikt en verwerkt. Ook ging hij ervan uit dat in verband met die raadplegingen documenten, zoals processen-verbaal, waren opgesteld en verzocht hij daarvan inzage. De korpschef wees het verzoek af en stelde dat BRP-bevragingen bij verwerking in de politiesystemen grotendeels automatisch plaatsvinden, dat niet inzichtelijk was welke raadplegingen gericht en welke automatisch waren verricht en dat daarvan geen afzonderlijke documenten werden aangemaakt. De rechtbank Midden-Nederland vernietigde dat besluit, omdat de korpschef onvoldoende had onderbouwd dat ook van gerichte BRP-bevragingen geen gegevens beschikbaar waren en het inzageverzoek te beperkt had opgevat.
Gegevens over rechtspersoon kunnen politiegegevens van ondernemer zijn, maar geen verwijdering zonder aannemelijke onjuistheid
Rb. Amsterdam 9 juni 2026, IT 5450; ECLI:NL:RBAMS:2026:5770 ([eiser] tegen de korpschef van de Politie). In deze zaak oordeelt de bestuursrechter dat gegevens die formeel betrekking hebben op een rechtspersoon toch politiegegevens over een natuurlijke persoon kunnen zijn wanneer zij direct met die persoon verband houden en tot hem herleidbaar zijn. [eiser], eigenaar van een horecabedrijf, verzocht de korpschef op grond van art. 28 Wpg om verwijdering van een passage uit een door de Dienst Regionale Informatie Organisatie opgestelde persoonsscreening ten behoeve van een Drank- en Horecavergunning. In die passage stond dat bij zijn bedrijf tijdens een observatie was gezien dat pakketjes aan een taxichauffeur werden overgedragen, waarna deze chauffeur werd aangehouden wegens handel in verdovende middelen. Volgens [eiser] had deze observatie niet plaatsgevonden. De korpschef wees het verzoek af omdat de passage volgens hem betrekking had op het bedrijf als rechtspersoon en niet op [eiser] als natuurlijke persoon, zodat geen sprake zou zijn van [eiser] betreffende politiegegevens waarop art. 28 Wpg van toepassing is.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Beperking van frequentiegebruik tot digitale televisie verenigbaar met dienstenneutraliteit
HvJ EU 16 juli 2026, IT 5447; ECLI:EU:C:2026:601 (Elettronica Industriale II). Elettronica Industriale beschikte sinds 28 juni 2012 over gebruiksrechten voor radiofrequenties voor digitale terrestrische televisie (DTT). In 2016 verzocht zij de Italiaanse autoriteiten om herziening van de aan deze gebruiksrechten verbonden beperkingen, zodat de betrokken frequenties ook voor andere elektronische communicatiediensten konden worden gebruikt. Het verzoek werd afgewezen omdat het geldende nationale frequentietoewijzingsplan de frequentieband 470-790 MHz primair voor omroepdiensten reserveerde. Nadat Elettronica Industriale tegen die afwijzing was opgekomen, vroeg de Consiglio di Stato het Hof van Justitie in wezen of het beginsel van dienstenneutraliteit uit artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG zich ertegen verzet dat een houder van frequentiegebruiksrechten op grond van een nationaal frequentieplan wordt verplicht die frequenties uitsluitend voor DTT te gebruiken.
Inbeslagname zakelijke e-mails door mededingingsautoriteit vereist niet steeds voorafgaande rechterlijke toestemming
HvJ EU 16 juli 2026, IT 5446; ECLI:EU:C:2026:585 (Imagens Médicas Integradas e.a. tegen Autoridade da Concorrência). In deze gevoegde zaken C-258/23 tot en met C-260/23 verrichtte de Portugese mededingingsautoriteit onderzoeken naar mogelijke inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU. Met voorafgaande toestemming van het Portugese Openbaar Ministerie werden inspecties uitgevoerd in de bedrijfsruimten van de betrokken ondernemingen, waarbij zakelijke e-mails tussen werknemers en leidinggevenden werden onderzocht en bestanden die relevant werden geacht voor de mededingingsonderzoeken in beslag werden genomen. De ondernemingen bestreden de rechtmatigheid daarvan en voerden aan dat de inbeslagname van e-mailcorrespondentie, gelet op het recht op eerbiediging van communicatie, vooraf door een rechter had moeten worden toegestaan en dat toestemming van het Openbaar Ministerie onvoldoende was. De Portugese rechter vroeg het Hof van Justitie daarom in wezen of zakelijke e-mails onder de bescherming van artikel 7 Handvest vallen en of de artikelen 7 en 8 Handvest zich verzetten tegen nationale regelgeving die een mededingingsautoriteit toestaat dergelijke e-mails tijdens een bedrijfsinspectie zonder voorafgaande rechterlijke toestemming in beslag te nemen.