Rectificatie afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang; uitlatingen niet aan het publiek gedaan
Rb. Noord-Holland 13 augustus 2026, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser tot rectificatie af. Eiser en gedaagde zijn voormalig zwager en schoonzus. Op 20 juni 2025 troffen zij elkaar in een supermarkt, waarbij zij elkaar op enig moment hebben aangeraakt. Gedaagde maakte hiervan melding bij de politie. Eiser stelde dat gedaagde ten onrechte zou hebben gezegd dat hij haar had mishandeld en/of geduwd en vorderde onder meer dat zij die uitlatingen zou rectificeren, het vonnis bij de politie zou laten opnemen en zich zou onthouden van soortgelijke uitlatingen. Volgens eiser hielden de gestelde uitlatingen verband met het feit dat hij sinds het incident geen omgang meer had met het door hem erkende zoontje van zijn voormalige partner. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het incident had ruim een jaar vóór het kort geding plaatsgevonden en eiser beschikte kort daarna al over camerabeelden die volgens hem zijn onschuld aantoonden. Van hem mocht daarom worden verwacht dat hij eerder actie had ondernomen. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat geen omgang meer plaatsvindt.
HRIF.EU geen belanghebbende bij overnameverbod Solvinity; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen
Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris). De voorzieningenrechter wijst het verzoek van Stichting Human Rights in Finance.EU (HRIF.EU) om een voorlopige voorziening af. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat had Kyndryl Holdings Inc. en gelieerde entiteiten op grond van artikel 14a.4 lid 1 Telecommunicatiewet verboden overwegende zeggenschap te verkrijgen in Solvinity Group B.V., omdat deze verkrijging volgens hem tot een bedreiging van het publieke belang kon leiden. Solvinity en haar aandeelhouder maakten tegen dit besluit bezwaar. Ook HRIF.EU maakte bezwaar, met het doel te worden toegelaten tot die bezwaarprocedure. Bij besluit van 25 augustus 2026 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU niet-ontvankelijk, omdat de stichting geen belanghebbende is. HRIF.EU stelde daartegen beroep in en verzocht de voorzieningenrechter onder meer om haar als deelnemer toe te laten tot de inhoudelijke hoorzitting in de bezwaarprocedure van Solvinity en haar aandeelhouder.
Taakstraf naast tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd met artikel 9 lid 4 Sr
HR 18 augustus 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie). De Hoge Raad oordeelt in deze economische strafzaak over de strafoplegging aan een verdachte die onder meer was veroordeeld voor witwassen, het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer in strijd met de Telecommunicatiewet. Het gerechtshof Amsterdam legde een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Het derde cassatiemiddel klaagde dat daarmee een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen was opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 4 Sr kan naast een gevangenisstraf een taakstraf worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. De overige cassatieklachten konden volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging leiden en zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO afgedaan.
Contractuele klachttermijn van 30 dagen staat beroep op gebreken in fitnessapp in de weg
Rb. Amsterdam 8 juli 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]). De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [gedaagde] de openstaande facturen voor de ontwikkeling van een fitnessapp moet betalen, ondanks zijn stelling dat de app gebrekkig is en [eiser] hem bij het sluiten van de overeenkomst heeft misleid over zijn expertise. Partijen sloten op 22 juni 2024 een overeenkomst van opdracht voor de ontwikkeling van de app. De overeengekomen prijs bedroeg € 40.000 exclusief btw, waarop [eiser] een korting van € 10.000 gaf in ruil voor 10% van de aandelen in de onderneming van [gedaagde]. De helft van de prijs werd vooraf betaald en de andere helft was bij oplevering verschuldigd. De overeenkomst bevatte daarnaast een klachttermijn van 30 dagen. De app werd in december 2024 in gebruik genomen en [gedaagde] liet op 14 januari 2025 weten dat [eiser] de tweede factuur kon sturen. Die factuur bleef onbetaald. Nadat de aandelenoverdracht uitbleef, bracht [eiser] ook het eerder verleende kortingsbedrag in rekening en vorderde hij in totaal € 30.250. [gedaagde] stelde daartegenover dat de app niet aan de afgesproken functionaliteiten voldeed en dat [eiser] zich ten onrechte als specialist in generatieve kunstmatige intelligentie en ervaren softwareontwikkelaar had gepresenteerd. Hij vorderde daarom ontbinding of vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van € 18.150 en schadevergoeding.
Uploadpoging van bedrijfsbestanden naar Gemini rechtvaardigt ontslag op staande voet
Rb. Amsterdam 9 juni 2026, IT 5474; ECLI:NL:RBAMS:2026:8257 ([verzoeker] tegen FMC Separation Systems). Deze zaak gaat over de vraag of FMC [verzoeker], een senior directeur binnen de organisatie, rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen nadat uit intern onderzoek bleek dat hij meerdere bedrijfsbestanden naar zijn privé-e-mailadres had gestuurd en had geprobeerd de inhoud van zijn zakelijke computer naar Gemini, de AI-dienst van Google, te uploaden. De arbeidsovereenkomst en de Code of Business Conduct Policy van FMC verboden dit. De gedragingen vonden plaats terwijl partijen onderhandelden over beëindiging van het dienstverband. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en maakt daarnaast aanspraak op vergoedingen.
Vodafone-commercial over maximale internetsnelheid niet misleidend
SGR 4 augustus 2026, RB 4118; IT 5473; 2026/00337 (klacht tegen Vodafone). In deze zaak gaat het om een televisiecommercial van Vodafone voor haar Unlimited-abonnementen. In de commercial wordt onder meer gezongen over “maximale snelheid” en “sneller dan snel”, terwijl in beeld staat: “Tot 1 Gbit/s bij alle Unlimited abonnementen.” Klager vindt de uiting misleidend omdat het netwerk van Vodafone volgens een speedtest van Ookla trager is dan dat van andere aanbieders en hij zelf in de praktijk een veel lagere snelheid ervaart. Vodafone voert aan dat de commercial duidelijk maakt dat alle Unlimited-abonnementen toegang geven tot de maximale technisch beschikbare snelheid zonder een abonnementsafhankelijke snelheidsbeperking. De daadwerkelijke snelheid kan volgens Vodafone variëren door onder meer locatie, dekking, netwerkdrukte en de omstandigheden binnen- of buitenshuis.
Geen herstel van Meta-accounts in kort geding vanwege gebrek aan spoedeisend belang en noodzaak tot nader onderzoek
Rb. Oost-Brabant 14 juli 2026, IT 5475; ECLI:NL:RBOBR:2026:5057 ([eiser] tegen Meta). In deze zaak vordert [eiser] in kort geding dat Meta hem opnieuw toegang geeft tot zijn accounts op Instagram, Facebook, Messenger en Threads, op straffe van een dwangsom, en een voorschot van € 1.263,50 op zijn schade betaalt. Meta schakelde zijn Instagram-account op 9 juni 2025 uit omdat het account of de activiteiten daarop volgens Meta in strijd waren met haar beleid tegen seksuele uitbuiting, seksueel misbruik en naaktbeelden van kinderen, het CSEAN-beleid. Meta schakelde daarna ook zijn andere accounts uit. [eiser] betwist dat hij kinderpornografisch materiaal bezat of publiceerde en stelt dat Meta de gebruikersovereenkomst onterecht heeft beëindigd, onzorgvuldig heeft gehandeld en hem schade heeft toegebracht. Meta stelt dat [eiser] met haar gebruiksvoorwaarden en beleidsregels heeft ingestemd en dat de uitschakeling van de accounts gerechtvaardigd was om overtredingen van het CSEAN-beleid te sanctioneren en verplaatsing van het gedrag naar andere Meta-platforms te voorkomen. De Nederlandse rechter is bevoegd en past Nederlands recht toe.
IT-dienstverlener moet 80% terugbetalen na vernietiging overeenkomst wegens schending informatieplichten
Rb. Amsterdam 6 augustus 2026, RB 4114; IT 5471; ECLI:NL:RBAMS:2026:8215 ([eisers] tegen [gedaagde]). In deze zaak vorderen [eisers] terugbetaling van bedragen die zij betaalden voor een IT-dienstverleningsovereenkomst met [gedaagde]. Partijen sloten de overeenkomst in februari 2022 bij [eisers] thuis. Het ging om een abonnement voor 36 maanden van € 99,99 per maand voor IT-gerelateerde diensten. In april 2025 ontvingen [eisers] een brief van Ziggo waaruit bleek dat Ziggo-diensten op hun adres via een onderneming van [gedaagde] werden geleverd, terwijl het die onderneming niet was toegestaan deze diensten door te verkopen of commercieel te exploiteren. [eisers] vernietigden daarop de overeenkomst wegens schending van de precontractuele informatieplichten en misleiding. [gedaagde] betwist de vernietiging en stelt onder meer dat de vordering is verjaard en dat hij bij vernietiging recht heeft op vergoeding voor de IT-diensten die hij gedurende drie jaar heeft geleverd.
Accreditatievoorwaarden Persrichtlijn 2025 onverbindend wegens strijd met artikel 10 EVRM
Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23775; IT 5472; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM. Sinds 1 juni 2025 is voor toegang tot de bijzondere persfaciliteiten van de gerechten vereist dat iemand beschikt over een NVJ-perskaart, IFJ-perskaart of politieperskaart, dan wel lid is van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Tot die faciliteiten behoren onder meer het maken van beeld- en geluidsopnamen en foto's en het live verslag doen vanuit de zittingszaal. Volgens de rechtbank vormen deze voorwaarden een inmenging in de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van nieuwsgaring. De inmenging heeft een grondslag in het nationale recht en dient legitieme doelen, waaronder de bescherming van de privacy en veiligheid van procesdeelnemers en hun recht op een eerlijk proces. De Staat heeft echter onvoldoende aangetoond dat het gekozen accreditatiesysteem noodzakelijk en proportioneel is. Voor journalisten die niet voor buitenlandse media werken, bepaalt in feite de NVJ wie voor accreditatie in aanmerking komt, terwijl onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor deze constructie is gekozen, welke afspraken daarover met de NVJ bestaan en op welke wijze uitzonderingen op de voorwaarden worden toegepast. De andere accreditatiemogelijkheden bieden bovendien niet voor iedereen een redelijk en werkbaar alternatief.
Staat mocht minicompetitie voor Cisco-apparatuur intrekken wegens afwijkende berekeningsmethode
Rb. Den Haag 3 juli 2026, IT 5469; ECLI:NL:RBDHA:2026:21394 (Computacenter en Protinus tegen de Staat). In deze zaak gaat het om een minicompetitie onder de raamovereenkomst ROAD2023 Netwerken voor de levering van Cisco-netwerk- en beveiligingsapparatuur aan Rijkswaterstaat. De Staat sloot die raamovereenkomst na een aanbesteding in 2024 met vier partijen, waaronder Computacenter en Protinus. In de raamovereenkomst wordt het opslagpercentage van de leverancier berekend over de prijs van de fabrikant of distributeur. In de nadere offerteaanvraag voor de minicompetitie koos de Staat een andere systematiek: de gemiddelde opslag werd afgetrokken van de gemiddelde korting op de bruto Cisco-prijslijst, waarna het resulterende nettokortingspercentage op de listprijs werd toegepast. Computacenter schreef in, maar de Staat legde haar inschrijving terzijde omdat zij in het tabblad Totaal NOK een hoger opslagpercentage had ingevuld dan het maximum uit de raamovereenkomst. Kort daarna trok de Staat de hele minicompetitie in. Volgens de Staat week de berekeningsmethode in de uitvraag af van de raamovereenkomst en waren de spelregels rond korting en opslag onvoldoende duidelijk, waardoor de inschrijvingen niet goed vergelijkbaar waren. Protinus vordert dat de Staat de intrekking ongedaan maakt en de minicompetitie voortzet. Computacenter stelt voorwaardelijke vorderingen voor het geval de minicompetitie toch wordt voortgezet en wil dan dat de Staat haar inschrijving alsnog beoordeelt, herstelt of corrigeert.