Voorzieningenrechter schorst lasten onder dwangsom van AP wegens twijfels over rechtsmacht en evenredigheid
Rb. Den Haag 18 juni 2026, IT 5375; ECLI:NL:RBDHA:2026:18723 ([verzoeksters] tegen de AP). De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) onderzoekt of de exploitanten van een internationaal socialmediaplatform bij het licentiëren van openbare gebruikersinformatie aan ontwikkelaars van large language models in strijd handelen met onder meer de artikelen 6, 13 en 21 AVG. In dat kader verlangde de AP toegang tot de systemen Jira, Google Vault en zogenoemde SWAT Tables. Die toegang moest worden verleend door medewerkers met volledige autorisatie, die op aanwijzing van de toezichthouders zoekopdrachten zouden uitvoeren terwijl de AP live kon meekijken. Nadat verzoeksters hun medewerking hadden gestaakt vanwege bezwaren over de territoriale bevoegdheid van de AP, de toepasselijke buitenlandse wetgeving en de mogelijke inzage in informatie die onder het verschoningsrecht van advocaten valt, legde de AP aan ieder van hen een last onder dwangsom van € 100.000 op.
Nederlandse rechter bevoegd in geschil over aankoop en beheer van bitcoins
Rb. Gelderland 1 juli 2026, IT 5369; ECLI:NL:RBGEL:2026:5452 (Deck Holding tegen [de gedaagde in de hoofdzaak]). Deck Holding vordert in de hoofdzaak betaling van een bedrag ter waarde van 7,80 bitcoins en verlangt dat de gedaagde rekening en verantwoording aflegt over de wijze waarop hij deze bitcoins voor haar zou hebben aangekocht, belegd en beheerd. Deck Holding stelt dat zij tussen 31 januari en 6 februari 2023 in totaal € 230.000 aan de gedaagde heeft overgemaakt om voor haar in bitcoins te beleggen. Toen zij later om overdracht van de bitcoins vroeg, zou de gedaagde daaraan geen gehoor hebben gegeven. Volgens Deck Holding bleken bovendien door hem verstrekte financiële overzichten vervalst en bestaat de mogelijkheid dat de bitcoins nooit zijn aangekocht, zijn verduisterd of zijn verkocht waarna de opbrengst is behouden. De gedaagde vordert in een bevoegdheidsincident dat de rechtbank zich internationaal onbevoegd verklaart. Hij stelt dat de rechter in Dubai of Zwitserland bevoegd is en beroept zich onder meer op een forumkeuzebeding in zijn arbeidsovereenkomst met een in Dubai gevestigde onderneming.
Dynamisch streamingaanbod kwalificeert als digitale dienst
HvJ EU 9 juli 2026, RB 4061; IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich tegen Verein für Konsumenteninformation). Sky Österreich biedt streamingabonnementen aan waarmee consumenten via een hyperlink of applicatie televisieprogramma’s live, op aanvraag en in bepaalde gevallen na download offline kunnen bekijken. Bij het online afsluiten van een abonnement moeten consumenten ermee instemmen dat Sky al tijdens de herroepingstermijn met de uitvoering begint en erkennen dat zij daardoor hun herroepingsrecht verliezen. De Oostenrijkse consumentenorganisatie VKI bestrijdt dit beding. Volgens VKI is het streamingabonnement geen levering van digitale inhoud, maar een digitale dienst. De uitzondering op het herroepingsrecht voor niet op een materiële drager geleverde digitale inhoud uit artikel 16, eerste alinea, onder m), van Richtlijn 2011/83 zou daarom niet van toepassing zijn.
AP mocht afzien van nader onderzoek naar AVG-inzageklacht
RvS 10 juni 2026, IT 5372; ECLI:NL:RVS:2026:3333 ([appellant] tegen AP). Een betrokkene dient bij de Autoriteit Persoonsgegevens een klacht in tegen een administratiekantoor, omdat dit volgens hem niet volledig heeft voldaan aan zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. De AP kan op basis van een globaal bureauonderzoek niet vaststellen dat sprake is van een AVG-overtreding. Omdat daarvoor nader onderzoek nodig zou zijn, beoordeelt zij aan de hand van haar Beleidsregels prioritering klachtenonderzoek of zij dat onderzoek zal uitvoeren. De AP besluit daarvan af te zien en wijst de klacht af. De rechtbank oordeelt dat de AP redelijkerwijs mocht uitgaan van de verklaring van het administratiekantoor dat alle opgevraagde stukken waarin persoonsgegevens van de betrokkene waren verwerkt, waren verstrekt. Ook mocht de AP volgens de rechtbank met toepassing van haar prioriteringsbeleid afzien van nader onderzoek.
Kantonrechter wil AVG-inzageverzoek verwijzen naar verzoekschriftprocedure
Rb. Rotterdam 22 mei 2026, IT 5368; ECLI:NL:RBROT:2026:6839 ([eiser] tegen Woonexpress B.V.). Een consument vraagt Woonexpress om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Volgens de consument heeft Woonexpress niet tijdig op dat verzoek gereageerd. Hij vordert onder meer een verklaring voor recht dat Woonexpress in strijd met de AVG heeft gehandeld, volledige inzage op grond van artikel 15 AVG op straffe van een dwangsom en € 1.500 aan immateriële schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. Woonexpress stelt in een incident dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Op grond van artikel 79 lid 2 AVG kan een procedure tegen een verwerkingsverantwoordelijke worden ingesteld in de lidstaat waar deze een vestiging heeft of waar de betrokkene woont. Woonexpress heeft vestigingen in Nederland en de consument woont in Nederland. De rechtbank Rotterdam is relatief bevoegd, omdat de consument daar woont en de vorderingen, hoewel zij niet rechtstreeks op de consumentenovereenkomst zijn gebaseerd, daarvan niet los kunnen worden gezien. Woonexpress wordt veroordeeld tot betaling van € 130,50 aan proceskosten in het incident.
Dertig maanden gevangenisstraf voor openen bankrekeningen met deepfakes
Rb. Amsterdam 17 juni 2026, IEF 23705; IT 5373; ECLI:NL:RBAMS:2026:6093 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De verdachte opent tussen 20 maart en 13 november 2025 op frauduleuze wijze 47 bankrekeningen bij ABN AMRO. Tijdens het digitale identificatie- en verificatieproces gebruikt hij gemanipuleerde selfies en identiteitsdocumenten om de controles van de bank te omzeilen. Daarbij worden onder meer met deepfaketechnologie gezichtskenmerken van de verdachte en van slachtoffers gecombineerd. Op zijn telefoon worden identiteitsgegevens van slachtoffers aangetroffen, evenals informatie, zoekopdrachten en aankopen die verband houden met het omzeilen van digitale identiteitscontroles. De rechtbank acht zijn verklaring dat hij vóór 28 september 2025 niet wist waarvoor zijn beeldmateriaal en de gegevens werden gebruikt ongeloofwaardig. De oplichting is voltooid doordat ABN AMRO de rekeningen heeft geopend en daarmee een dienst heeft verleend; dat enkele betaalpassen niet zijn geactiveerd, doet daaraan niet af. De verdachte wordt als alleenpleger veroordeeld voor oplichting, het vervalsen van meerdere identiteitsbewijzen en het verschaffen en voorhanden hebben van afbeeldingen van identiteitsdocumenten waarvan hij wist dat zij voor oplichting waren bestemd. Van het ten laste gelegde medeplegen wordt hij vrijgesproken, omdat geen voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander is bewezen.
Verwijdering BKR-registraties afgewezen wegens onbetaalde schuld
Rb. Rotterdam 12 juni 2026, IT 5371; ECLI:NL:RBROT:2026:6799 ([verzoeker 2] tegen BMW). Een vennoot van een vof verzoekt BMW Financial Services om verwijdering van twee negatieve BKR-registraties: een A-code wegens een betalingsachterstand en een code 2 wegens opeising van de vordering. De registraties houden verband met een Operational Lease Agreement tussen de vof en BMW. Nadat betalingsachterstanden waren ontstaan, ontbond BMW de leaseovereenkomst en bleef de eindfactuur onbetaald. In een eerdere procedure waren de vof en haar vennoten hoofdelijk tot betaling veroordeeld en was bepaald dat zij vanaf 23 december 2024 in verzuim verkeerden. BMW wijzigde daarop de ingangsdatum van de A-code naar die datum. Dat de kantonrechter de maandelijkse vergoeding in het eerdere vonnis als “huur” aanduidde, betekent volgens de rechtbank niet dat geen sprake is van krediet. De operational-leaseovereenkomst kwalificeert materieel en juridisch als een zakelijke kredietovereenkomst. BMW moest daarom de overeenkomst en de betalingsonregelmatigheden bij het BKR registreren.
CBOX mocht overeenkomst niet op grond van opt-outregeling beëindigen
Rb. Amsterdam 24 juni 2026, IT 5370; ECLI:NL:RBAMS:2026:6649 (DNZ tegen CBOX). De Nieuwe Zaak Ecommerce (DNZ) en CBOX sluiten een overeenkomst van opdracht voor de implementatie van een BigCommerce-platform. De offerte vermeldt een totale projectinvestering van € 144.500 exclusief btw. Op verzoek van CBOX nemen partijen een opt-outregeling op. Wanneer tijdens de Discoveryfase blijkt dat de investering voor de realisatiefase meer dan 20% afwijkt van het voorstel, moeten partijen overleggen over het vervolg. Alleen wanneer zij geen passende oplossing vinden, behoort beëindiging van de samenwerking tot de mogelijkheden. Na de Discoveryfase presenteert DNZ een geraamde projectinvestering van € 162.500. CBOX deelt vervolgens mee de samenwerking niet te willen voortzetten. DNZ stelt dat CBOX daardoor tekortschiet, ontbindt de overeenkomst buitengerechtelijk en vordert schadevergoeding. CBOX betoogt dat partijen na de Discoveryfase een algemeen go/no-go-moment waren overeengekomen en vordert in reconventie vergoeding van haar eigen schade.
Resterende collectieve vorderingen over coronadatalek afgewezen wegens onvoldoende belang
Rb. Amsterdam 9 juni 2026, IT 5367; ECLI:NL:RBAMS:2026:6299 (ICAM tegen de Staat, GGD GHOR en de GGD’en c.s.). Stichting ICAM voert een collectieve actie tegen onder meer de Staat, GGD GHOR en verschillende GGD’en naar aanleiding van het coronadatalek. Vaststaat dat medewerkers van GGD’en toegang hadden tot de systemen CoronIT en HPZone Lite en persoonsgegevens aan derden hebben verstrekt. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank de schadevergoedingsvorderingen al niet-ontvankelijk verklaard. Voor personen van wie niet vaststond dat hun gegevens daadwerkelijk in verkeerde handen waren gekomen, was niet gebleken van schade die voor vergoeding in aanmerking kwam. Voor de groep van wie gegevens wel door onbevoegden waren ingezien of verkregen, hadden de meeste betrokkenen een financiële tegemoetkoming geaccepteerd en afstand gedaan van verdere schadeclaims. Voor de beperkte resterende groep had ICAM onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij representatief was. Na intrekking van de vorderingen tot beëindiging van inbreuken en verbetering van de beveiliging resteerden alleen verklaringen voor recht over de verwerkingsverantwoordelijkheid en gestelde schendingen van onder meer de AVG en artikel 6:162 BW.
Aanmelden voor de Mr. S.K. Martens Academie
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.