Aanhoudende uitingen over ex-partner en kinderen leiden tot vijfjarig contact- en publicatieverbod
Rb. Overijssel 23 juli 2026, IT 5413; ECLI:NL:RBOVE:2026:4535 ([eiser] tegen [gedaagde]). Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen twee minderjarige kinderen. Aan [gedaagde] zijn eerder in het kader van zijn geschorste voorlopige hechtenis contact- en uitingsverboden opgelegd. Daarnaast verbiedt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hem in oktober 2025 gedurende één jaar om via openbare elektronische media informatie, berichten en meningen over [eiser] en de kinderen te publiceren. [Gedaagde] blijft daarna uitlatingen op sociale media plaatsen en verbeurt daarmee het maximale bedrag van € 50.000 aan dwangsommen. Vanaf februari en maart 2026 benadert hij ook de nieuwe werkgever en collega’s van [eiser] online en publiceert hij opnieuw berichten over de kinderen. Omdat de maximale dwangsom uit het eerdere arrest al is verbeurd, bestaat volgens de voorzieningenrechter geen financiële prikkel meer om dat arrest na te leven. [Eiser] heeft daarom voldoende spoedeisend belang bij nieuwe voorzieningen. [Gedaagde] verschijnt niet, hoewel hij behoorlijk is opgeroepen en van de mondelinge behandeling op de hoogte is. De voorzieningenrechter verleent verstek en wijst de vorderingen op grond van artikel 139 Rv grotendeels toe, omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Financieel oogmerk en stelselmatige werkwijze maken AVG-inzageverzoek tot misbruik van recht
Rb. Noord-Holland 21 juli 2026, IT 5404; ECLI:NL:RBNHO:2026:9165 ([verzoeker] tegen Wolters Wonen). Verzoeker stuurde op 19 juli 2025 een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG naar het e-mailadres info@baby-dump.nl. Wolters Wonen, handelend onder de naam Fundesign.nl, stelde dat zij dit oorspronkelijke verzoek niet had ontvangen, omdat het naar het e-mailadres van Baby-Dump was verzonden. Nadat verzoeker Wolters op 21 augustus 2025 had gesommeerd om alsnog aan het verzoek te voldoen en aanspraak had gemaakt op € 925 aan buitengerechtelijke kosten, reageerde Wolters op 22 augustus 2025. Op 25 september en 16 oktober 2025 volgden aanvullende antwoorden. Volgens verzoeker waren deze antwoorden niet tijdig en boden zij geen volledige inzage in zijn persoonsgegevens. Na vermindering van zijn verzoek verlangde hij alleen nog dat Wolters op straffe van een dwangsom volledige inzage zou verstrekken en dat zij in de proceskosten zou worden veroordeeld. Zijn oorspronkelijke verzoeken om schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en vergoeding van de werkelijke proceskosten handhaafde hij niet. Wolters voerde aan dat zij het verzoek volledig had beantwoord en dat verzoeker misbruik maakte van zijn AVG-rechten, omdat hij niet werkelijk controle van zijn persoonsgegevens beoogde, maar financieel voordeel wilde verkrijgen.
Uitspraak ingezonden door Hans Bousie, &bousie.
Geen auteursrecht op functionele websiteteksten, wel verbod op nep reviews
Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23738; RB 4075; IT 5415; 200.343.772/01 (Fixiq Legal tegen Bonnetje c.s.). In deze zaak tussen Fixiq Legal en Bonnetje c.s. staat een geschil over websites en apps voor het aanvechten van verkeersboetes centraal. Nadat gesprekken over een mogelijke samenwerking waren stukgelopen, lanceerde Bonnetje een eigen website en app. Fixiq Legal stelde dat Bonnetje auteursrechtelijk beschermde teksten had overgenomen en misleidende handelspraktijken toepaste door onder meer nep reviews te plaatsen. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat de teksten op de testwebsite van Bonnetje openbaar waren gemaakt. De URL was via sociale media gedeeld en de website was, zij het met enige moeite, toegankelijk voor derden. Dat de openbaarmaking mogelijk niet was beoogd, maakt dat niet anders. Van auteursrechtinbreuk is volgens het hof echter geen sprake. Het format en de opbouw van de website zijn te zeer door functionaliteit bepaald. Ook de teksten van de Q&A, het doorloopproces en het machtigingsformulier zijn overwegend functioneel, technisch en juridisch van aard. Zij dragen geen waarneembaar persoonlijk stempel en voldoen daarom niet aan de werktoets.
Oud-boekhouder moet volledige digitale bedrijfsadministratie aan onderneming overdragen
Rb. Overijssel 17 juli 2026, IT 5406; ECLI:NL:RBOVE:2026:4407 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Een bouwonderneming had haar voormalige boekhouder op grond van een overeenkomst van opdracht belast met het voeren van haar administratie in het softwareprogramma Informer. Nadat de onderneming de overeenkomst had opgezegd, wijzigde de boekhouder de toegangscode, waardoor de bestuurder van de onderneming niet meer kon inloggen, en gaf hij geen gehoor aan het verzoek om de administratie aan de opvolgende boekhouder over te dragen. De vordering tot afgifte van de fysieke administratie werd tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, nadat de boekhouder had verklaard dat hij geen fysieke administratie bezat. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang bij overdracht van de digitale administratie voldoende aannemelijk. De onderneming had op korte termijn administratieve stukken nodig voor een lopende procedure in hoger beroep en moest bovendien voldoen aan haar administratieplicht van artikel 2:10 BW. Tussen partijen stond vast dat de overeenkomst van opdracht was geëindigd en dat de digitale bescheiden die de administratie vormden eigendom waren van de onderneming. De boekhouder hield deze daarom in beginsel zonder recht of titel onder zich. Zijn wens om de administratie te bewaren met het oog op mogelijke toekomstige procedures rechtvaardigde niet dat hij de volledige administratie bleef achterhouden. Dit mogelijke belang was speculatief, woog minder zwaar dan het concrete belang van de onderneming en kon minder ingrijpend worden beschermd, bijvoorbeeld door de administratie in de bestaande toestand bij een onafhankelijke derde te deponeren.
Weigering van broncodecontrole en afgifte broncode rechtvaardigt ontbinding van beide appovereenkomsten
Rb. Rotterdam 1 juli 2026, IT 5408; ECLI:NL:RBROT:2026:8114 (DTT tegen App!pointment en [persoon A]). DTT ontwikkelde op grond van twee overeenkomsten de App!pointment-app en de Gotcha-app en factureerde daarvoor in totaal ruim € 460.000. App!pointment en [persoon A] betaalden ten minste ruim € 408.000. DTT vorderde betaling van het volgens haar nog openstaande deel van de facturen voor de App!pointment-app. De rechtbank oordeelt dat DTT App!pointment kon aanspreken, omdat zij de contractuele verplichtingen stilzwijgend had overgenomen, en dat ook [persoon A] persoonlijk kon worden aangesproken vanwege een in de overeenkomst opgenomen persoonlijke betalingsverbintenis. DTT had het door haar gestelde openstaande bedrag van € 52.441,04 echter onvoldoende onderbouwd voor zover dit het door App!pointment en [persoon A] erkende bedrag van € 47.902,72 te boven ging. De betrokken facturen waren in beginsel opeisbaar, omdat zij betrekking hadden op overeengekomen maandelijkse termijnen en een bij opdrachtverlening verschuldigde aanbetaling voor meerwerk. De App!pointment-app was echter niet overeenkomstig de overeenkomst opgeleverd, omdat voor eindoplevering schriftelijke goedkeuring van een release candidate nodig was en daarvan niet was gebleken. De opdrachtgever had juist gemeld dat verschillende essentiële functies niet werkten en kon de app niet zelfstandig testen. Omdat de app door inmiddels gewijzigde besturingssystemen alleen nog via onderzoek van de broncode kon worden beoordeeld, bracht de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW mee dat DTT moest meewerken aan controle van die broncode door een derde. Daarbij woog de rechtbank mee dat het om een complex maatwerkproduct ging dat over zes jaar tegen een aanzienlijk hogere prijs dan aanvankelijk overeengekomen was ontwikkeld, terwijl al ruim € 400.000 was betaald. Door medewerking aan controle te weigeren zolang niet alle facturen waren voldaan, schoot DTT tekort. Door haar duidelijke weigering verkeerde zij op grond van artikel 6:83 onder c BW zonder ingebrekestelling in verzuim.
Rechtbank stelt ambtshalve misbruik van AVG-inzagerecht vast wegens financieel oogmerk
Rb. Noord-Holland 21 juli 2026, IT 5403; ECLI:NL:RBNHO:2026:9167 ([verzoeker] tegen Scapino). Verzoeker diende op 22 juli 2025 bij Scapino een inzageverzoek in op grond van artikel 15 AVG. Nadat Scapino de ontvangst had bevestigd, maande en sommeerde verzoeker haar meermaals om aan het verzoek te voldoen. Op 20 mei 2026 reageerde Scapino alsnog inhoudelijk en verstrekte zij een overzicht van de persoonsgegevens die zij van verzoeker verwerkte. Volgens verzoeker was deze reactie te laat en bovendien onvolledig. Hij verzocht de rechtbank aanvankelijk onder meer om schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en vergoeding van de werkelijke proceskosten. Nadat hij zijn verzoek ter zitting had verminderd, verzocht hij alleen nog om Scapino op straffe van een dwangsom te bevelen volledige inzage te verstrekken en haar in de proceskosten te veroordelen.
OM handelt onrechtmatig door herleidbaar persbericht over zedenverdenking zonder vereiste toestemming
Rb. Den Haag 24 juni 2026, IT 5409; ECLI:NL:RBDHA:2026:19054 ([eiser] tegen de Staat). De politie publiceerde op 31 maart 2023, in afstemming met het Openbaar Ministerie, een persbericht waarin stond dat de eigenaar van een nachtclub in een bepaalde plaats werd verdacht van aanranding en verkrachting van twee minderjarige meisjes en dat eerder vergelijkbare meldingen over hem waren binnengekomen. De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van de betrokken politie- en OM-functionarissen vast dat het primaire doel van het bericht het vergroten van de meldingsbereidheid van mogelijke andere slachtoffers was. Het bericht was dus gericht op waarheidsvinding en moest als opsporingsberichtgeving worden beoordeeld, niet uitsluitend als algemene publieksvoorlichting. Het OM had met de aanduiding “eigenaar van een nachtclub” bewust beoogd de verdachte herkenbaar te maken voor potentiële slachtoffers. Daarmee was zijn identiteit in ieder geval voor deze groep derden herleidbaar en was in die zin sprake van het vrijgeven van zijn identiteit. Hiervoor was volgens de toepasselijke Aanwijzing opsporingsberichtgeving toestemming van de hoofdofficier van justitie vereist. Omdat vaststond dat deze toestemming niet was verleend, ontbrak van meet af aan een rechtvaardiging voor de inzet van dit opsporingsmiddel en handelde het OM onrechtmatig jegens eiser in de zin van artikel 6:162 BW. De vordering, voor zover gebaseerd op het handelen van de politie, wordt afgewezen, omdat de politie een van de Staat te onderscheiden rechtspersoon is. De rechtbank beoordeelt niet meer afzonderlijk of de mededeling over eerdere meldingen zelfstandig onrechtmatig was of dat de verwerking in strijd was met de AVG, omdat eiser geen afzonderlijke schade als gevolg daarvan had gesteld.
Verwijdering van negatieve Google-review afgewezen ondanks ontbreken zakelijke klantrelatie
Rb. Amsterdam 28 mei 2021, IT 5412; ECLI:NL:RBAMS:2021:2868 ([eiseres] tegen [gedaagde]. De directeur van een watersportwinkel raakt in een privégeschil met een verkoper van computerspellen nadat een voor zijn zoontje gekocht spel volgens hem niet goed werkt. Tijdens de correspondentie gebruikt hij het zakelijke e-mailadres van zijn onderneming en worden aanvankelijk onder de naam van die onderneming negatieve reviews over het bedrijf van de verkoper geplaatst. De bestuurder van dat bedrijf plaatst daarop een éénsterrenreview bij de watersportwinkel, waarin hij de eigenaar dominant, agressief en onprofessioneel noemt en stelt dat deze door middel van “chantage” zijn zin probeert door te drijven. De watersportwinkel vordert in kort geding verwijdering van de review en een verbod op toekomstige reviews die niet zijn gebaseerd op een daadwerkelijke ervaring met haar producten of diensten. De voorzieningenrechter stelt voorop dat negatieve ervaringen online mogen worden gedeeld, mits de review berust op een daadwerkelijke ervaring met de aanbieder en niet feitelijk onjuist of onnodig grievend is. Ook telefoon- of e-mailcontact kan zo’n ervaring opleveren, maar dan moet die ervaring wel verband houden met de producten of diensten van de onderneming. Dat verband ontbreekt hier: de recensent heeft nooit een product of dienst van de watersportwinkel afgenomen en het conflict gaat over een privéaankoop. In zoverre kan de mededeling dat de watersportwinkel een onprettig bedrijf is om mee samen te werken volgens de voorzieningenrechter niet door de beugel.
Stelselmatige AVG-inzageverzoeken met financieel oogmerk leveren misbruik van recht op
Rb. Noord-Holland 21 juli 2026, IT 5402; ECLI:NL:RBNHO:2026:9168 ([verzoeker] tegen Suitable). Verzoeker diende bij Suitable een verzoek in tot inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Suitable vroeg hem zijn identiteit te bevestigen door een kopie van een geldig identiteitsbewijs te verstrekken, maar verzoeker weigerde dat. Vervolgens sommeerde hij Suitable om alsnog aan het inzageverzoek te voldoen, maakte hij aanspraak op € 925 aan buitengerechtelijke kosten en stelde hij onder dreiging van een procedure een schikking van € 1.250 voor. In de procedure verzocht hij, na vermindering van zijn verzoek, alleen nog om Suitable op straffe van een dwangsom te bevelen inzage te verstrekken en haar in de proceskosten te veroordelen. Suitable voerde aan dat verzoeker zijn AVG-rechten niet gebruikte om de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren, maar om financieel voordeel te verkrijgen.
Hogeschool Rotterdam moet MaaS-opdracht heraanbesteden wegens onvoldoende gemotiveerde looptijd raamovereenkomst
Rb. Rotterdam 18 juni 2026, IT 5400; ECLI:NL:RBROT:2026:7542 (Reisbalans tegen Stichting Hogeschool Rotterdam). In deze zaak staat een Europese openbare aanbesteding van Stichting Hogeschool Rotterdam voor de levering van ‘Mobility as a Service’ centraal. De opdracht omvat onder meer een mobiliteitskaart, een app, portaal en koppelingen met de financiële en HR-systemen van de Hogeschool. De overeenkomst heeft een initiële looptijd van vier jaar en kan tweemaal met maximaal 24 maanden worden verlengd, waardoor de totale looptijd acht jaar kan bedragen. Reisbalans schrijft op de aanbesteding in en biedt voor verschillende onderdelen een tarief van € 0,01. Nadat de Hogeschool aanvankelijk voornemens is de opdracht aan Reisbalans te gunnen, trekt zij deze gunningsbeslissing in en verklaart zij de inschrijving van Reisbalans ongeldig wegens de volgens haar irreële en symbolische tarieven. De Hogeschool is vervolgens voornemens de opdracht aan Mobility Concept B.V. te gunnen. Reisbalans vordert in kort geding primair dat de Hogeschool de aanbestedingsprocedure intrekt en, indien zij de opdracht nog steeds wil gunnen, een nieuwe aanbestedingsprocedure houdt.